Ik ben onderweg naar Vlierzele, naar TaLe Art Gallery. De wagen volgt een traject dat ik intussen ken: lintbebouwing, open velden, winterlicht dat niet verwarmt maar wel verzacht. Op de passagiersstoel ligt de tekst van curator Christine Adam. Ik lees hem niet voor het eerst, maar wel trager dan voordien. Er zijn nu eenmaal veel verkeerslichten op de Vlaamse wegen en om een of andere reden kleuren ze op zondag roder dan anders.
De prachtige titel van deze tentoonstelling, Verstilde taal, heeft in deze context geen taalkundige betekenis maar verwijst naar de beeldtaal die de vier kunstenaars hanteren. Het is een taal die oproept, die suggestief en meditatief is. In het zoeken naar de essentie, naar het tijdloze, naar verstilling, elimineren de kunstenaars het overtollige. Alles wordt rust en ingetogenheid terwijl de toeschouwer gestimuleerd wordt aandachtig te kijken en de intensiteit te voelen die het kunstwerk weerspiegelt.- Christine Adam
Sommige zinnen vragen om herlezing, andere om tegenspraak. Verstilde taal, schrijft ze, heeft hier geen taalkundige betekenis, maar verwijst naar de beeldtaal die de kunstenaars hanteren. Een taal die oproept, die suggestief en meditatief is.
In mijn hoofd schuift zich een zin van Herman de Coninck naar voren, hardnekkig en helder: “Stilte is het verschil tussen niks zeggen en alles al gezegd hebben.”
Het is een zin die niet geruststelt. Hij suggereert dat stilte geen leegte is, maar een verzadiging. Geen afwezigheid, maar een overmaat. En precies daarom is stilte geen onschuldige toestand, maar een keuze die risico inhoudt. En precies daar begint mijn twijfel bij de woorden van Adam. Is verstilling soms niet een vorm van gemakzuchtig zwijgen? Wanneer is ze het gevolg van niets te zeggen hebben, en wanneer van doordenken tot er niets meer toe te voegen valt?
Woorden onder druk
De deur van TaLe Art Gallery sluit zacht achter mij. Geen muziek, geen geroezemoes. De ruimte is helder, beheerst, maar niet koud. Ik besluit Adams woorden niet langer mee te dragen als leidraad, maar ze hier, tussen de werken, op de proef te stellen. Niet om ze te ontkrachten, maar om te kijken hoever ze standhouden wanneer beelden het spreken overnemen.
Zij spreekt over het elimineren van het overtollige, over rust en ingetogenheid. Maar rust is geen vanzelfsprekend eindpunt. Rust kan ook het resultaat zijn van een conflict dat zichtbaar blijft, zelfs wanneer het zwijgt. Alles wordt rust, schrijft ze. Ik kijk rond en denk: nee, alles wordt aandacht. En aandacht is nooit neutraal, nooit vrijblijvend, nooit comfortabel.
De stilte hier is geen decor. Ze is een conditie die afgedwongen wordt. Pas daarna wordt ze een afspraak tussen werk en toeschouwer. De werken vragen tijd. Ze verzetten zich tegen het snelle kijken. Precies daar raakt Adams tekst aan De Conincks gedachte: stilte ontstaat niet wanneer er niets te zeggen valt, maar wanneer het spreken zijn grens heeft bereikt.

Bernard Sercu: de wonde als taal
Bij Bernard Sercu is stilte geen vertrekpunt, maar een restant. Zijn werk draagt de sporen van ingrepen: inkepingen, herhalingen, beschadigingen die geen toeval zijn. Het materiaal – hout, papier, doek – is niet louter drager, maar gesprekspartner. Of beter: tegenstander.
Adam schrijft over verstilling als een zoektocht naar het tijdloze. Bij Sercu zie ik vooral tijd die zich heeft vastgezet in ritme. Hier wordt verstilling geen ontsnapping aan tijd, maar een manier om haar vast te houden. Elke insnijding herinnert aan een handeling. Destructie, zegt zijn tekst, roept reconstructie op. Dat klopt. Maar reconstructie betekent hier niet herstel in de klassieke zin. Het is geen heling, eerder een herformulering.
De stilte die deze werken uitstralen, is die van iets wat al is uitgesproken – met geweld, met herhaling, met discipline. Hier past De Conincks zin naadloos: dit is geen niets-zeggen. Dit is alles-zeggen, tot het spreken zelf overbodig wordt. De stilte is niet zacht, maar zwaar van herinnering. Ze houdt het verleden vast als een echo die niet verdwijnt.

Marnix Hoys: het zwijgende lichaam
Bij Marnix Hoys krijgt stilte een fysieke vorm. Figuren zonder ogen, zonder armen, soms zonder duidelijke gelaatstrekken. Ze staan. Ze dragen. Ze zwijgen. De verwijzingen naar Japanse keramische tradities zijn geen cultureel signaal, maar discipline. Het lichaam wordt drager van aanwezigheid. Zwijgen krijgt hier gewicht. Adam spreekt over suggestieve, meditatieve beeldtaal. Hoys’ beelden zijn inderdaad suggestief, maar zelden meditatief in de serene zin van het woord. Dit is geen meditatie als rust, maar als confrontatie. Ze zijn zwaar, aards, bijna archaïsch. Hun stilte is geen uitnodiging tot ontspanning, maar tot confrontatie. Wat betekent mens-zijn wanneer expressie wordt gereduceerd tot het minimum? Dit is stilte die niet verzoent, maar bewaart. Zoals De Coninck suggereert: hier is alles al gezegd, alleen niet in woorden. Het lichaam zwijgt omdat het niet anders kan. En precies daardoor wordt het werk zo luid.

Rebecca Dufoort: de adem van het kijken
Bij Rebecca Dufoort lijkt Adams tekst zich bijna vanzelf te nestelen. Haar abstract-minimalistische schilderijen ademen rust en ritme. Ze vormen een perfect evenwicht. Vlakken en lijnen houden elkaar in toom. Kleur wordt niet uitgespeeld, maar gedoseerd.
Toch is ook hier de stilte geen stilstand. De combinatie van olie en matte acryl zorgt voor subtiele verschuivingen in glans. Het licht verandert het werk, en het werk verandert het kijken. Je moet blijven kijken om de stilte te behouden. Hier wordt ‘meditatief’ geen vanzelfsprekende toestand, maar een voortdurende inspanning.
Dufoort schrijft zelf over de spanning tussen orde en intuïtie. Die spanning is voelbaar. Ze verhindert dat het werk decoratief wordt. De stilte hier is kwetsbaar. Eén vluchtige blik, en ze stort in.
Dit is misschien de meest ‘meditatieve’ vorm van verstilling in de tentoonstelling, maar ook de meest veeleisende. Ze vraagt discipline van de toeschouwer. Stilte wordt hier geen cadeau, maar een afspraak.

Anne De Maesschalck: terugtrekkend landschap
Bij Anne De Maesschalck verdwijnt het landschap bijna volledig. Wat overblijft zijn vormen, gelaagdheden, evenwichten die niets willen voorstellen en toch iets oproepen. Stilte en rust zijn hier geen thema, maar effect.
Adam schrijft over de zoektocht naar de essentie. De Maesschalck lijkt die essentie niet te definiëren, maar te laten ontstaan. Haar vormen bestaan naast elkaar, soms logisch, soms onlogisch verbonden. Ze weigeren narratief, maar bieden ruimte tot dialoog.
De stilte die deze werken genereren, is misschien de meest open vorm van stilte in de expo. Ze laat persoonlijke invulling toe, maar dwingt niets af. Dit is geen stilte die leidt, maar een stilte die uitnodigt tot medeverantwoordelijkheid. Het is een stilte die niet zegt: kijk zo, maar: blijf even en vertel me wat je ziet.
Ook hier weer De Coninck: het werk zegt niet niets. Het zegt alles wat nodig is om daarna te kunnen zwijgen.
Tussen Adams woorden en De Conincks stilte
Wanneer ik de tentoonstelling opnieuw als geheel bekijk, keer ik terug naar Adams tekst. Ze heeft gelijk wanneer ze spreekt over verstilling, over het elimineren van het overtollige. Maar wat deze tentoonstelling werkelijk toont, is dat verstilling geen stijl is, maar een houding. Geen eindpunt, maar een consequentie.
De stilte hier is veelzijdig: verwond bij Sercu, belichaamd bij Hoys, ademend bij Dufoort, uitnodigend bij De Maesschalck. Ze is nooit leeg. Ze is altijd het resultaat van keuzes, ingrepen, weglatingen die betekenis dragen.
Stilte is het verschil tussen niks zeggen en alles al gezegd hebben. Deze tentoonstelling kiest resoluut voor het tweede. Niet zonder risico, niet zonder frictie, maar met het vertrouwen dat beelden kunnen spreken tot het spreken overbodig wordt. En dat is, in een tijd die voortdurend om uitleg en snelheid vraagt, misschien inderdaad wel de meest radicale vorm van taal.