Sinds 2015 interviewt Alex de Vries kunstenaars in hun atelier. Hij bezocht in die tijd ruim 200 kunstenaars in Nederland en incidenteel daarbuiten. Van die gesprekken zijn er nu dertig gebundeld onder de titel Zien wat je niet weet.
We spraken Alex de Vries over Zien wat je niet weet, zijn manier van werken en zijn kijk op de rol van kunstenaars in de samenleving. ‘Een kunstenaar is een heel gemiddeld mens. Hij moet ook zijn kinderen naar school brengen, zijn auto naar de garage, of boodschappen doen.’
Zien wat je niet weet verschijnt bij Uitgeverij De Zwaluw. Het boek wordt gepresenteerd op 2 oktober in projectruimte BMB in Amsterdam bij de solotentoonstelling van Lisa Couwenbergh.
Een getraind oog zou een stuk van Alex de Vries (Erica, 1957) moeten kunnen herkennen zonder zijn naam boven het stuk te hebben gelezen. Waar een andere auteur zou vragen naar de hoogte van de plafonds, of de lichtinval naar wens is en een uitvoerige beschrijving van het werk geeft, volgt bij De Vries na de tweede of derde alinea vrijwel altijd een passage over het gezin waarin de kunstenaar opgroeide.
‘Zo’n artikel is een systeem geworden voor mij. De vraag die ik eigenlijk stel is: wanneer was het moment dat beeldende kunst het middel was voor jou om je te verwerkelijken? Vaak heeft dat te maken met waar je bent opgegroeid.’ Daarin heb je grofweg twee smaken, legt De Vries uit. ‘Of ze moesten het veroveren en zijn tegen de adviezen in naar de kunstacademie gaan, of ze zijn juist heel erg gestimuleerd door hun vader en moeder, want zij hebben ook altijd die wens gehad, maar er niks mee gedaan en dan moet het kind maar waarmaken.’
De Vries’ eigen belangstelling voor hedendaagse kunst werd gewekt toen hij van 4 havo naar 5 vwo ging en vrienden kreeg die cultureel geïnteresseerd waren. ‘Ik kreeg vrienden die zelf schreven. Er was een schoolkrant, maar dat zei mij weinig. Een van mijn vrienden kwam op het idee om zelf een tijdschriftje te gaan maken en daardoor kwam ik de visuele poëzie op het spoor. Daarin worden taal, beeld en klank met elkaar vermengd. Ik ging naar een avond in het Poëziehuis van kunstenaar Robert Joseph en hoorde daar Body Music (1973) van Marten Hendriks die de contouren van zijn lichaam in een draaiorgelboek had laten ponsen. Daar was ik zo door getroffen. Het was ook muzikaal heel intrigerend.’
Niet veel later maakte De Vries de keuze voor de studie kunstgeschiedenis. ‘Ik wilde Nederlands gaan studeren, maar dat was heel taalkundig en het curriculum bevatte ook statistiek, waar ik geen interesse in had, dus ik besloot kunstgeschiedenis te gaan studeren, zonder precies te weten wat dat inhield.’
Tijdens zijn studie, die hij voortijdig afbrak, richtte De Vries met Arjen Kok en Rob Smolders in 1979 kunsttijdschrift Metropolis M op. In de jaren tachtig was hij werkzaam bij het Shaffy Theater, daarna werkte hij bij de Hogeschool voor de Kunsten Arnhem en later was hij directeur van de Academie voor Kunst en Vormgeving ’s-Hertogenbosch. Sinds 2004 schrijft hij voor Mister Motley. Daarnaast publiceerde hij meerdere boeken, waaronder een biografie van Marten Hendriks (2018) en Weten wat je ziet (2022).
Anders dan bij de succesvolle voorganger, Weten wat je ziet, is De Vries samen met zijn compagnon Jan Willem den Hartog zelf verantwoordelijk voor de samenstelling van Zien wat je niet weet. Hij koos voor gesprekken die laten zien hoe gevarieerd de beeldende kunstpraktijk is. Wat opvalt is dat ongeveer twee derde van de opgenomen kunstenaars vrouw is, waarover later meer, en veel van de geïnterviewden zijn geboren in de jaren ’60.
‘Toen ik bijna 50 jaar geleden met dit werk begon, waren de kunstenaars die ik interviewde doorgaans vijftien jaar ouder dan ik en hadden een praktijk die er al toe deed. Later werden het mensen die tien à vijftien jaar jonger zijn dan ik. Via de redactie van Mister Motley kom ik ook bij jongere kunstenaars. Mijn interesse gaat vooral uit naar kunstenaars die een jaar of dertig ervaring hebben, bij wie het kunstenaarschap is geëvolueerd, en die zijn gelouterd door het vak.’
Die loutering beschrijft De Vries vooral in maatschappelijke zin. ‘Hoe verdien je eigenlijk je geld, is een vraag waarin ik geïnteresseerd ben. Veel kunstenaars kunnen niet uitsluitend van hun werk bestaan, maar die doen er in het verlengde van het kunstenaarschap van alles bij: docentschappen, adviseurschappen, cursussen. Soms ook stukadoren, en een enkele keer werken ze als taxichauffeur.’
Een heel gemiddeld mens
De Vries’ maatschappelijke insteek staat haaks op de Romantische ideeën over het kunstenaarschap die nog steeds gangbaar zijn. Bij De Vries zijn kunstenaars geen gekwetste zielen die in de marge van de maatschappij op zoek zijn naar het sublieme, maar mensen van vlees en bloed met kinderen, die de huur of de hypotheek moeten betalen of een wasmachine hebben die nodig vervangen moet worden.
‘Dat outsiderschap bestrijd ik. Een kunstenaar is een heel gemiddeld mens. Hij moet ook zijn kinderen naar school brengen, zijn auto naar de garage, boodschappen doen. Je moet alles doen wat ieder ander mens ook doet, alleen hij voorziet in zijn bestaan door kunst te maken en in het verlengde daarvan zijpaden te bewandelen die vaak wel inspirerend zijn voor het werk dat hij maakt.’
In de jaren ’90 werd De Vries op dit spoor gezet door de kunstenaar Servaas, bekend van zijn Int. Fish-handel SERVAAS. Servaas (voluit: Servaas Schoone, 1950-2001) gaf les op de afdeling vrije kunst op de academie in Arnhem, waar De Vries in de jaren ’90 hoofd communicatie was. ‘Servaas zag dat studenten op de afdeling toegepaste kunst in het derde jaar stage liepen, maar bij vrije kunst niet. Hij initieerde daarop het Business Art Stageplan, het BAS-plan, en liet studenten aan hun werk gerelateerde maatschappelijke ervaringen opdoen. Zo liep Dieuwke Spaans, die in haar werk veel aandacht heeft voor het leven en de dood, stage bij een begrafenisondernemer. Dat bleek ze heel goed te kunnen. Iemand die met de consumptiemaatschappij bezig was liep stage bij McDonalds. Studenten hebben daar heel veel aan gehad.’
Dieuwke Spaans, Portal 6, tegenboschvanvreden Dat de meerderheid van de opgenomen interviews met vrouwelijke kunstenaars is, verklaart De Vries deels doordat meer vrouwen hem benaderen voor een atelierbezoek dan mannen. ‘Mannen moet ik echt vragen, en dan vinden ze het vaak leuk en heel waardevol, maar hoofdzakelijk vrouwen benaderen mij voor een atelierbezoek.’
Daarnaast wijst De Vries op een andere trend: meer vrouwen beginnen na hun afstuderen een praktijk. ‘Dertig jaar terug waren er ook veel vrouwen op de academies, maar daarna telde dat niet door. Vooral mannelijke kunstenaars kregen tentoonstellingen en werden aangekocht. Die verhoudingen zijn inmiddels veranderd; kunstenaars zijn in meerderheid vrouw. Ook het personeelsbestand van musea bestaat voor 70 procent uit vrouwen.’
Alexandra Phillips in haar atelier. Foto: Steven Maybury 2024De meerwaarde van een atelierbezoek
Iedere maand bezoekt De Vries wel een of twee ateliers. Vaak op de geijkte plekken, zoals voormalige schoolgebouwen, een fabriek, een kraakpand of in de achtertuin. Ter plaatse komt De Vries redelijk snel ter zake, vertelt hij.
De meerwaarde van een atelierbezoek zit voor De Vries in de inkijk die het biedt in een kunstenaarspraktijk. ‘In een galerie of een museum zie je toch iets dat geneutraliseerd is. In een atelier zie je werk in zijn puurste ontstaansvorm. Je ziet er schetsen, mislukkingen, een rij schilderijen die met de rug naar je toe staan, een inspiratiewand, boeken in de boekenkast.’ Alles kan bijdragen aan een beter begrip van het werk zelf. ‘Je ontdekt altijd iets over de achtergrond van het werk of de motivatie van een kunstenaar.’
Soms duurt het even voordat je doorhebt wat de betekenis is van hetgeen je ziet. Zo interviewde De Vries in 2011 de Eindhovense kunstenaar Vincent Dams, die destijds 29 jaar oud was. De Vries kende Dams niet. In het atelier zag hij een boekenkast die was gevuld met de hele wereldliteratuur. ‘Ik dacht eerst dat het een gimmick was, maar hij bleek alles te hebben gelezen. Dat zag je ook terug in zijn werk, dat was doordrenkt met die leeservaring.’