Niemand weet hoeveel blaadjes een basilicumplant heeft
Er staat een basilicumplant op mijn aanrecht. Niet als stilleven, niet als pose, maar omdat iemand hem ooit meebracht na een etentje en hij sindsdien is blijven staan. Overdag vangt hij het schaarse winterlicht; 's avonds lijkt hij zichzelf te vergeten. Soms pluk ik een blad, soms vergeet ik hem water te geven, en toch blijft hij groeien met een koppigheid die ik alleen herken uit menselijke verhalen.
Toen ik de titel van de tentoonstelling bij Shoobil las — How many leaves does basil have? — dacht ik eerst dat het een grap was. Een lichte, huiselijke titel, bijna achteloos, alsof iemand hem tussen twee boodschappenlijstjes had genoteerd. Maar hoe langer ik erover nadacht, hoe minder luchtig hij werd. Want het is een vraag die zich niet laat beantwoorden zonder dat ze zichzelf ondergraaft.
Er zijn vragen die eruitzien als vragen maar in werkelijkheid iets anders zijn. Noem ze een val of een opening. Een uitnodiging om te verdwalen. De plant groeit terwijl je telt. Blaadjes ontluiken, verwelken, worden afgeplukt en komen terug. Het getal bestaat niet. Of preciezer: het getal bestaat nooit twee keer hetzelfde.
Dat is ook de filosofische kern van de tentoonstelling die Billie J. Kanter en Faryda Moumouh samenbrengt in de galerieruimte bij Shoobil. Tellen als illusie van controle. Catalogiseren als troost die nooit helemaal werkt. De basilicumplant is hier niet zomaar een botanisch voorbeeld, maar een methodologisch manifest. Een oppervlak dat nooit af is, opgebouwd uit eenheden die zich vermenigvuldigen en onttrekken aan elke definitieve inventaris. Verhalen werken zo. Beelden werken zo. Herinneringen al helemaal.
Kanter en Moumouh werken vanuit uiteenlopende vertrekpunten. Het ene werk is geworteld in de logica van het schilderij, het andere in de verwonding van het fotografische beeld. Maar hun praktijken convergeren in een gedeelde obsessie: de materiële conditie van het ontelbare.

Wanneer een walvis je uitspuugt
De werken van Kanter dragen titels die tot de verbeelding spreken. Ik beperk me in dit betoog tot The whale vomited out Jonah upon the dry land (2025), een citaat dat zijn gewicht meedraagt als een steen in een zak. Iedereen kent het Bijbels verhaal, of denkt het te kennen. Jonah, de profeet die wordt ingeslikt, het onmogelijke overleeft en vervolgens weer wordt uitgeworpen op het droge.
Kanter neemt dit verhaal niet als onderwerp. Ze neemt het als structuur. Als een van de vele narratieve architecturen die ze ontmantelt en opnieuw samenvoegt in het atelier, waar beeldfragmenten zich opstapelen in cycli van herschikking en stille herziening. Schriften, kronieken, dogma's, pamfletten: ze verschijnen niet als heilige objecten maar als ruwe materialen die kunnen worden ontvlochten en in nieuwe constellaties geweven.
Aan de oppervlakte gedraagt haar werk zich als een grammatica. De fragmenten functioneren niet als illustraties maar als zinnen. Patronen spreken tegen elkaar; kleuren corrigeren elkaar; lijnen onderbreken wat ze zelf hebben ingezet. Een arm wordt ornament, een gezicht wordt patroon, een oppervlak wordt huid. Het lichaam is hier geen stabiele vorm maar een tijdelijk beeld dat voortdurend begint zonder ooit te eindigen.
Wat er uiteindelijk overblijft, is een werk dat zich presenteert met de innerlijke samenhang van een schilderij maar opgebouwd is uit minutieus samengestelde lagen waarvan de herkomst vrijwel volledig is uitgewist. De walvis is verdwenen. Jonah is verdwenen. Wat blijft is de structuur van het uitspugen zelf: het moment waarop iets wat lang binnen is gehouden, terug naar de buitenwereld wordt geworpen, veranderd, bezoedeld, levend.
Er schuilt ook iets troostend in dat beeld, hoe vreemd dat ook klinkt. Het verhaal van Jonah is geen verhaal over vernietiging. Het is een verhaal over het doorstaan van iets veel groters dan jezelf, en er uiteindelijk van af te komen. Weliswaar niet ongeschonden, maar intact. Kanters werkwijze doet iets soortgelijks met haar bronmateriaal. Het verhaal verdwijnt in haar artistieke praktijk zoals Jonah verdween in de walvis, en wordt uitgeworpen als iets anders: een oppervlak vol onderstromen die niet meer te benoemen zijn maar er wel degelijk zijn.
Misschien is dat ook de scherpe kant van de tentoonstellingstitel. Hoeveel bladeren heeft basilicum? Hoeveel vormen heeft een lichaam? Hoeveel lagen kan een beeld dragen voordat het oplost in zichzelf? Zoals bij basilicum: zodra je begint te tellen, verandert alles.

Waar Kanter accumuleert, reduceert Faryda Moumouh. Haar werk lijkt aanvankelijk stiller, soberder, bijna documentair. Maar die stilte is misleidend. Wat zij toont zijn geen objecten maar sporen.
Scars somewhere (2025): de titel zegt het met de precisie van iemand die weet dat exacte coördinaten niet bestaan. Littekens ergens. Niet hier, niet daar, maar onbepaald ergens. Op het lichaam, in het landschap, in de stad, in de herinnering aan de stad. Moumouh combineert digitale bewerking met handmatige interventie: acryl, inkt, kalkpapier, … Alsof ze het fotografische beeld opnieuw wil aanraken, verbeteren en insluiten in iets wat méér is dan reproductie. Ze construeert gelaagde beeldvelden waarin waargenomen werkelijkheid, herinnerde ruimte en innerlijke projectie samenvloeien tot mentale topografieën waar identiteit en geografie zich niet vastzetten maar verschuiven.
De littekens in haar werk zijn niet decoratief. Ze zijn archeologisch. Moumouh behandelt haar beelden als opgravingssites: je kunt zien dat er iets geweest is, je kunt de contouren traceren, maar de volledige reconstructie lukt nooit. Dat is geen falen, dat is de conditie. Haar beelden weigeren zich te laten lezen als document. Ze tonen niet wat er was, maar hoe wat er was zich terugtrekt. Zoals een geur die blijft hangen nadat de plant verdwenen is.
Er is in haar werk een gevoeligheid die men zou kunnen omschrijven als een aandacht voor het onzichtbare kader: het fundament dat een verhaal draagt, eerder dan het verhaal zelf. En in die spanning tussen het fotografische oppervlak en de handgemaakte ingreep nestelt zich precies wat haar werk weigert te loslaten: de ervaring van mensen die elders waren en hier zijn, of hier waren en ergens anders zijn beland. Haar landschappen zijn geen plaatsen die je kunt bezoeken. Ze zijn plaatsen die je binnendraagt en die jou langzaam beginnen te veranderen.
De grammatica onder het oppervlak
Er is een gevaar in tentoonstellingen die twee kunstenaars samenbrengen: het gevaar van de valse symbiose, waarbij de curatoriële logica méér samenhang suggereert dan de werken zelf produceren. Dat gevaar is hier afwezig, maar niet omdat Kanter en Moumouh elkaars spiegel zijn. Integendeel. Kanters overvloed zou zonder Moumouhs reductie misschien decoratief worden; Moumouhs stilte zonder Kanters spanning misschien te gesloten. Ze werken vanuit fundamenteel verschillende materialen en vertrekpunten, en wat hen verbindt is subtieler en daardoor echter: een gedeelde weigering om het bronmateriaal te behandelen als autoriteit.

Beide kunstenaars plunderen niet. Ze ontmantelen. Er is een groot verschil. Plunderen impliceert dat je iets meeneemt en het elders neerzet. Ontmantelen impliceert dat je het uiteenneemt om te begrijpen hoe het in elkaar zit en dat je het daarna opnieuw samenvoegt op een manier die de componenten transformeert. Teksten en fotografische beelden functioneren in hun handen als cultureel sediment: materiaal dat zijn bruikbaarheid juist onthult wanneer het wordt verplaatst.
De hedendaagse kunstwereld heeft een merkwaardige fascinatie ontwikkeld voor tellingen: aantallen tentoonstellingen, bezoekers, verkopen, volgers. Het oeuvre wordt een spreadsheet; de carrière een grafiek. Maar zoals bij basilicum: hoe preciezer de telling, hoe duidelijker de onmogelijkheid ervan wordt. Wat mij uiteindelijk bijblijft na deze tentoonstelling is niet één beeld maar een toestand. Een lichte desoriëntatie. Een gevoel dat het kijken zelf verandert terwijl je kijkt.
How many leaves does basil have? is geen vraag over basilicum. Het is een vraag over de onmogelijkheid van het definitieve en over de schoonheid die precies in die onmogelijkheid schuilt. Kanter en Moumouh geven geen antwoord. Ze bouwen een ruimte waarin de vraag langer kan leven dan buiten zou zijn toegestaan. Ze fluisteren, beide. En precies daardoor worden ze subversief in een kunstwereld die vaak te luid spreekt.
De plant op mijn aanrecht groeit ondertussen door. Ik heb de blaadjes nog steeds niet geteld.