Het sneeuwde die middag in Antwerpen. Niet het spectaculaire soort sneeuw dat meteen tot foto’s en superlatieven leidt, maar het zachte, stille wit dat de stad even op pauze zet. Binnen stond thee te dampen. Buiten werden stappen gedempt. Het gesprek dat volgde, hoefde nergens heen. Het mocht blijven hangen, terugkeren, zichzelf tegenspreken.
Tosja van Lieshout woont momenteel in Antwerpen, samen met haar Franse partner. Ze bevindt zich op dat kantelpunt dat veel jonge kunstenaars herkennen: niet langer student, nog niet vastomlijnd, maar wel al onmiskenbaar in beweging. Het gesprek cirkelde rond schilderen, twijfel, intuïtie, muziek, landschappen, economie, sociale media, en vooral rond de vraag hoe je als kunstenaar trouw blijft aan wat zich aandient, ook wanneer het nog geen duidelijke vorm heeft.
Wanneer wist je dat je kunstenaar wilde worden?
Ik heb eigenlijk nooit echt een ander idee gehad. Dat klinkt misschien vreemd, maar het was er gewoon altijd. Vanaf een heel jonge leeftijd wist ik dat dit was wat ik wilde doen. Mijn moeder is ook kunstenaar, dus ik ben ermee opgegroeid. Kunst was geen aparte wereld. Het was gewoon deel van het dagelijks leven. Ik heb mezelf ook nooit echt voorgesteld in een ander beroep. Ik heb nooit gedacht: misschien word ik dit of dat. Het was eerder een vanzelfsprekendheid, zonder dat ik daar toen al grote woorden aan gaf.
Was dat nooit beangstigend, zo’n vanzelfsprekendheid?
Niet op die manier. Natuurlijk waren er momenten van twijfel, maar niet over het feit dat ik kunstenaar ben. De twijfel zat altijd meer in hoe dat zich moest verhouden tot de wereld. Hoe leef je daarvan, hoe werk je verder na je opleiding, hoe blijf je trouw aan wat je doet zonder jezelf te verliezen? Dat soort vragen. Maar het kunstenaarschap zelf heb ik nooit in vraag gesteld.
Hoe liep dat pad concreet?
Ik ben naar de middelbare school gegaan met extra kunstvakken, wat voelde als een natuurlijke plek om mezelf uit te drukken en te onderzoeken wat schilderen kon betekenen. Daarna vervolgde ik mijn opleiding aan de academie, wat ook weer logisch leek in dat beeld dat ik toen had van hoe het pad zou lopen. Ik behaalde mijn Bachelor Fine Art aan AKV|St.Joost en rondde mijn opleiding af in 2020. Daar heb ik in die eerste jaren veel geleerd over materialen, technieken en hoe je je eigen stem opbouwt binnen een academische context. Daarna ben ik verder gegaan met een Master Schilderkunst aan het Frank Mohr Institute in Groningen, die ik in 2024 afrondde. Die master heeft me vooral tijd en ruimte gegeven om dieper te graven in mijn manier van werken, zonder dat ik meteen resultaten hoefde te hebben. Het voelde logisch, maar achteraf besef ik dat ik toen nog een vrij romantisch beeld had van hoe alles zou lopen: je studeert af en dan… ja, dan sta je ineens daar.”

Je studeerde af op een moment dat de wereld letterlijk stilviel.
Ja. Dat was een vreemde ervaring. Je rondt iets af, je denkt: nu begint het en dan gebeurt er iets totaal onverwachts. COVID-19 maakte alles onzeker, maar tegelijk gaf het me ook focus. Ik had eigenlijk geen duidelijk beeld van hoe “het leven na de academie” eruit moest zien, dus ik voelde niet dat iets me werd afgenomen. Het was eerder alsof de wereld zei: wacht even. En dat wachten gaf me ruimte om te werken.
Maar je liet de opleidingen niet los. Je behaalde nog een master Schilderkunst aan het Frank Mohr Instituut (2024) en volgde ook nog residenties in o.a. Zundert en Kyoto. Welke rol hebben die gespeeld in je ontwikkeling?
Zowel de nieuwe studies als de residenties waren heel bepalend, maar niet altijd op een comfortabele manier. Ik denk dat ik in residenties pas echt begon te voelen hoe kwetsbaar het kunstenaarschap kan zijn. Je wordt losgetrokken uit je vertrouwde omgeving en ineens moet alles opnieuw betekenis krijgen: je werk, je tempo, je overtuiging.
Tijdens mijn master was dit natuurlijk anders. In het begin voelde dat vooral als druk. Je zit samen met andere kunstenaars die allemaal sterk bezig zijn, die veel laten zien, veel zeggen. Dat kan motiveren, maar het kan je ook doen twijfelen aan je eigen stem. Ik merkte dat ik soms zo bezig was met wat er rondom mij gebeurde, dat ik het contact met mijn eigen werk even verloor.
Daarom waren die residenties noodzakelijk. Ze hebben me gedwongen om door die twijfel heen te gaan. Om niet meteen te reageren, niet meteen te produceren, maar te blijven zitten bij dat ongemak. Achteraf zie ik dat als een kantelpunt: daar ben ik begonnen met het loslaten van verwachtingen zowel van mezelf als van anderen.
Wat me vooral is bijgebleven, is hoe intens het kan zijn om zo geconcentreerd met werk bezig te zijn, zonder ontsnappingsroutes. Je kan je niet verstoppen achter routines of afleiding. Alles wordt zichtbaar: wat werkt, wat niet werkt, waar je nog geen woorden voor hebt. Dat was soms confronterend, maar ook vormend. Ik denk dat ik daar geleerd heb dat mijn werk niet sterker wordt door zekerheid, maar door het toelaten van twijfel. Dat was geen onmiddellijke conclusie, maar iets wat zich langzaam heeft vastgezet.
Raakte je daardoor je eigen spoor kwijt?
Ja, soms wel. Zeker in het begin. Ik voelde dat ik zoveel nieuwe kunst zag, zoveel mogelijkheden, dat ik bijna niet meer wist waar mijn eigen noodzaak lag. Dat heeft tijd gekost. Pas later begreep ik dat die verwarring ook deel was van het proces.
Wanneer begon je werk persoonlijker te worden?
In het laatste jaar van mijn masteropleiding, denk ik. Dat was de eerste keer dat ik echt voelde dat ik mijn werk nodig had om dingen te verwerken. Niet als illustratie van gevoelens, maar als manier om ermee om te gaan. Het ging niet meer om voldoen aan verwachtingen, maar om iets dat eruit moest.
Je spreekt vaak over noodzaak. Waar zit die precies?
In het niet anders kunnen. In het gevoel dat ik dit moet doen, ook als ik twijfel, ook als ik het niet begrijp. Soms weet ik tijdens het werken niet waar ik naartoe ga. Dat kan beangstigend zijn, maar ook bevrijdend.
Muziek speelt een grote rol in je atelier.
Ja. Muziek is vaak het eerste waar ik aan denk als het over inspiratie gaat. Ik werk bijna altijd met muziek. Het bepaalt mijn tempo, mijn bewegingen. Het is geen achtergrond, maar een soort medespeler. Tegelijk kan ik niet alleen maar in het atelier blijven. Ik moet naar buiten, mensen zien, koffie drinken, iets meemaken. Anders verstik ik.

Ik vertrek niet vanuit landschap als onderwerp. Ik zoek eerder naar textuur, naar beweging, naar iets dat groeit. Een landschap impliceert overzicht, perspectief, een systeem. Mijn werk is fragmentarischer. Het ontstaat van onderuit, vanuit lagen, vanuit wat zich aandient.
Hoe begin je aan een schilderij?
Heel fysiek. Ik werk snel. Ik heb weerstand nodig van het materiaal. Het doek moet iets terugdoen. Ik laat eerdere lagen zichtbaar. Wat gebeurd is, mag blijven meespelen. Ik vind het belangrijk dat je kunt zien wat er geweest is.
Is twijfel onderdeel van dat proces?
Altijd. Twijfel is constant aanwezig. Maar ik zie het niet meer als iets negatiefs. Vroeger probeerde ik die twijfel weg te werken, nu zie ik dat er juist kracht in zit. Het houdt het werk open.
Hoe ga je om met de economische kant van het kunstenaarschap?
Dat blijft moeilijk. Je moet kansen herkennen, maar ook weten wanneer iets niet bij je past. Niet elke opportuniteit is de juiste. Ik probeer samenwerkingen aan te gaan waarin vertrouwen zit, waarin ik mezelf kan blijven.
En sociale media?
Het is vermoeiend, maar ook nuttig. Het is een manier om contact te leggen. Ik heb studiobezoeken kunnen regelen via Instagram. Sociale media zijn niet voldoende, maar wel een onderdeel van de artistieke praktijk.
Waar zie je jezelf over tien jaar?
Dat vind ik een moeilijke vraag, omdat ik mezelf niet graag vastzet. Ik heb wel het gevoel dat beweging belangrijk voor me blijft. Dat kan geografisch zijn, maar ook mentaal. Op dit moment woon ik in Antwerpen, samen met mijn Franse partner, en dat voelt goed. Tegelijk kijk ik ook naar Parijs als een mogelijke latere basis. Niet als een breuk, eerder als een volgende laag.
Parijs voelt voor mij niet als een vlucht vooruit, maar als een plek waar verschillende lijnen samenkomen. De geschiedenis, de schilderkunst, de intensiteit van de stad. Ik weet niet of het definitief zou zijn, maar ik merk dat het idee me ruimte geeft. Alsof ik mezelf toestemming geef om verder te denken dan het nu.
Wat voor mij belangrijk is, is dat een plek mijn werk voedt, niet opsluit. Dat ik me ergens kan bewegen, kijken, verdwalen. Parijs draagt die mogelijkheid in zich, zonder dat het al een vast plan hoeft te zijn.
Met een laatste vraag pols ik naar haar voorbeelden en welke kunstenaar ze welke vraag zou stellen. In de stilte voel ik tientallen namen de revue passeren.
Edvard Munch zou ik niet willen vragen hoe hij schilderde, of waarom precies. Dat interesseert me minder. Ik denk dat ik hem zou vragen hoe hij het volhield. Hoe hij bleef werken zonder zichzelf te sparen, maar ook zonder zichzelf te verliezen.
Of hij ooit het gevoel had dat hij te ver ging en wat dat dan betekende. Niet technisch, maar emotioneel. Waar voor hem de grens lag tussen eerlijk zijn en jezelf kapotmaken. En of hij die grens überhaupt belangrijk vond.
Misschien zou ik hem ook vragen of hij soms bang was dat het werk hem zou opslokken. En of hij dat dan zag als gevaar, of net als iets noodzakelijks.
Ze glimlacht even, bijna verontschuldigend, alsof ze beseft dat die vragen uiteindelijk minder over hem gaan dan over haarzelf.
