In deze expositie wordt het werk van drie kunstenaars getoond; Fabiola Burgos Labra, Ulrike Rehm en Marija Rinkevičiūtė. Alledrie zoeken de kunstenaars grenzen op van schilderen en beeldhouwen.
Rehm en Rinkevičiūtė maken encaustieken met een techniek waarbij hete was laagje voor laagje met verschillende pigmenten wordt aangebracht. Het lijkt op schilderen maar in de werken van Rinkevičiūtė is het medium eronder, linnen, gips, karton of hout, vaak opgekruld, gevouwen en gedeeltelijk te zien en in de wasschilderijen van Rehm staan haar vingerafdrukken er soms nog in. Fabiola Burgos Labra haakt om zachte fruit -en groentelichamen heen. In het rottingsproces schildert de vrucht het textiel van binnenuit. Ditmaal hangen de vruchten, als digüeñes, een eetbare paddenstoel afkomstig uit Zuid-Chili, aan koperen buizen.
De kunstenaars ontlenen in hun werkwijze veel aan poëzie. Bijvoorbeeld het werk Tengo a mi cargo 16 gatos, yo cuido solo a uno que se llama Pedro van Burgos Labra, dat bestaat uit een tak opgebouwd uit verschillende stokjes die zij verzamelde tijdens een wandeling in Gent. Net zoals de tak is de titel van het werk zorgvuldig samengesteld. Burgos Labra husselde uitgeknipte snippers met woorden door elkaar tot zij op, vertaald uit het Spaans, de titel kwam: ‘ik heb 16 katten onder mijn hoede, maar ik zorg maar voor één kat die Pedro heet.’ Dit voorbeeld laat een overeenkomstige werkwijze zien waarin steeds weer naar een onverwachts bij elkaar komen van media wordt gezocht en het eindresultaat zorgvuldig wordt samengesteld.