De werken van Krystel Geerts worden verbonden door de ontastbare aard van hun oppervlakten en materialiteit. Ze lijken fragiel en open, als vervaagde herinneringen aan barokke architectuur, mede doordat het proces van hun ontstaan in de werken zelf is ingeschreven.
Haar sculpturale praktijk onderzoekt hoe vorm kan functioneren als drager. Geïnspireerd door het lichaam en architectuur ontwikkelt haar werk zich via een somatisch proces waarin het lichaam tegelijkertijd maat en grens is. Ze benadert de wereld als een veld van oneindige plooien, die zich niet alleen in materiële vorm ontvouwen, maar ook conceptueel.
Materiële handelingen zoals vouwen, samendrukken, kreukelen en het laten instorten van vormen spelen een centrale rol in het vormgeven van het werk. De resulterende oppervlakten fungeren als afdrukken, tastbare archieven die sporen dragen van aanraking, spanning en weerstand.