Elia praat met dezelfde bedachtzaamheid waarmee hij werkt: niet om te overtuigen, maar om te verkennen. Hij vertelt dat hij niet uit een kunstenaarsfamilie komt, dat niemand thuis iets wist van kunst. Hij had lang gedacht dat hij videogames zou maken. “Ik tekende veel,” zei hij, “maar ik zag mezelf geen kunstenaar worden. Ik wilde werelden bouwen.” Dat verlangen bleef, maar veranderde van vorm. Eerst kwam architectuur, dan restauratie, dan uiteindelijk grafiek. Pas daar, in het atelier, liet hij het tekenen los. “Ik tekende hyperrealistisch,” vertelde hij, “maar zodra ik begon met grafiek, heb ik het tekenen volledig achter mij gelaten. Ik ben begonnen met houtsneden, en dat was het. Dat was liefde.”
De omweg als oorsprong
Sommige kunstenaars vinden hun stem via omwegen. Bij Elia is die omweg het pad zelf geworden. Hij vertelt dat hij altijd vanuit precisie vertrok, uit controle, uit het verlangen om de wereld te begrijpen. Maar het moment waarop iets te helder werd, verloor het zijn kracht. “Ik kan soms volledig 180 graden draaien,” zegt hij lachend. “Als ik voel dat iets te voorspelbaar wordt, moet ik het loslaten.” Het loslaten werd zijn methode, zijn esthetiek.
Op tafel lag tijdens het gesprek een kunstboek over Caspar David Friedrich, de schilder die het sublieme wist te vangen in romantische vergezichten. Elia bladert erin alsof hij een oude vriend zoekt. Niet de bekende monnik of wandelaar, maar een vreemd tafereel: een kathedraal, diep verscholen in een vallei, tussen naaldbomen, onbewoonbaar en toch aanwezig. “Het lijkt realistisch,” zei hij, “maar eigenlijk klopt er niets aan. En net dat bevreemdende gevoel is wat mij raakt. Dat je kijkt, denkt te weten, en dan plots beseft dat je niets begrijpt.”
Die open structuur past bij het DNA van Shoobil: kunstenaars tonen er geen eindpunt, maar een stadium in een voortdurende metamorfose. In die zin sluit de tentoonstelling wonderlijk goed aan bij haar titel: alles beweegt, niets blijft. Zelfs de lach is tijdelijk, een trilling in de lucht voordat ze oplost in stilte.
Zijn eigen landschappen ademen datzelfde onvermogen tot fixatie. Ze beginnen vaak bij bestaande beelden, soms van Friedrich, soms van foto’s of oude schilderijen, maar worden door een verouderd AI-programma gehaald dat niet altijd begrijpt wat het ziet. “Ik gebruik een oud programma, uit 2019, dat nooit echt goed werkte,” vertelde hij. “Het behoudt kleuren en composities, maar verliest alle details. Wat overblijft is vaag, wazig, alsof de wereld zichzelf herinnert in mist.” Daarna gaat hij aan de slag in Photoshop, waar hij tientallen, soms honderden lagen stapelt, elk een echo van wat het vorige verbergt. “Ik vernietig het beeld,” zei hij, “tot het iets wordt dat ik niet meer herken, maar dat mij emotioneel aanspreekt.”
Wanneer de digitale fase voltooid is, begint de fysieke arbeid. Hij vertaalt de beelden naar houtsneden, laat de lasercutter lijnen branden in hout, drukt ze met inkt op papier. De sporen van die arbeid blijven zichtbaar: verkoolde randen, grillige patronen, lagen die ademen. De werken zijn niet glad, niet mechanisch. Ze dragen het bewijs van tijd, van aanraking. “Ik wil dat je voelt dat er een lichaam aan gewerkt heeft,” zei hij. “Ik wil dat het werk weerstand biedt.”

Waar de vogels zwijgen
De titel van zijn tentoonstelling, Where Have the Birds Gone, klinkt melancholisch, alsof het een elegie betreft, maar voor Elia is het geen klacht, wel een vraag. “Ik zeg niet dat ze weg zijn,” zei hij. “Ik vraag: waarom horen we ze niet?” De stilte van vogels betekent in de natuur gevaar. Bij hem wordt die stilte een spiegel van onze waarneming: horen we de wereld nog, of enkel onszelf?
Hij vertelde dat hij veel leest over ecologie, maar dat hij zich verzet tegen het doemdenken dat ermee gepaard gaat. “Voor mij is het geen apocalyps,” zei hij. “Als wij verdwijnen, gaat de aarde gewoon verder. Dat vind ik niet erg. Het is de cyclus des levens.” Die houding klinkt bijna troostend, maar ze bevat ook iets verontrustends: een aanvaarding van onze overbodigheid. Zijn werken ademen dat besef. Ze tonen geen rampspoed, maar de nabeelden van aanwezigheid. Ze tonen een wereld die blijft nadat wij niet langer kijken.
In de boekhandel Stad Leest, waar hij parttime werkt, merkt hij hoe weinig vraag er is naar boeken over ecologie. “Er zijn er amper,” zei hij, “en toch gaat de helft van de literatuur die ik lees daarover. Ecologie is gepolitiseerd. Mensen haken af omdat het te normatief is geworden. Iedereen zegt: dit mag niet, dat mag niet. Maar niemand legt nog uit waarom.” In zijn kunst probeert hij dat terug te draaien, door geen slogans te gebruiken, geen verklaringen, enkel beelden die je dwingen om opnieuw te leren kijken. “Ik wil dat mensen zich afvragen wat ze zien,” zei hij, “en waarom ze zich ongemakkelijk voelen.”
Dat ongemak herinnert aan het sublieme waar de romantici zo door gefascineerd waren: de schoonheid die grenst aan angst, het overweldigende dat je niet kunt vatten. “Het sublieme en cosmic horror raken elkaar,” zei Elia. “Beiden gaan over iets dat te groot is om te begrijpen. Iets dat je leven bedreigt, maar waar je toch naar blijft kijken. Dat is wat ik zoek in mijn werk.”
Zijn landschappen lijken inderdaad op de drempel van verdwijnen te balanceren. Geen herkenbare horizon, geen duidelijke oriëntatie. Alsof het kompas weigert te werken. “Ik wil dat drie mensen drie verschillende dingen zien,” verklaart de kunstenaar. “Er is geen juist antwoord. Misschien is het een berg, misschien een zee, misschien niets.”

De kunst van verdwalen
Toen hij over zijn jeugd sprak, kwam hij terug op videogames. “Vroeger speelde ik om te ontsnappen,” vertelde hij. “Ik gebruikte cheats om vrij rond te lopen. Niet om te winnen, maar om te dwalen.” Hij maakte screenshots van verlaten landschappen, plekken waar niets gebeurde. “Ik heb er honderden,” zegt hij glimlachend. “Soms kocht ik een spel enkel omdat ik het landschap mooi vond.” Wat toen een vlucht was, is nu zijn methode geworden. Ook in de natuur zoekt hij dat soort stilte. “Ik kan een uur kijken naar een mier,” zei hij. “Daar gebeurt niets, maar dat niets is genoeg.”
Zijn werk is doordrongen van dat verlangen naar leegte. Geen spektakel, geen statement, maar een poging om ruimte te maken in een wereld die constant overprikkelt. Hij woont in de stad, dicht bij het Rivierenhof, maar zegt dat hij er zelden rust vindt. “Zelfs in de parken hoor je verkeer,” zei hij. “De Hobokense polder, dat is nog de enige plek waar ik echt stilte hoor. Daar voel ik dat het klopt.”
Die spanning tussen stad en natuur, tussen lawaai en stilte, tussen techniek en ambacht, loopt door heel zijn oeuvre. Hij gebruikt artificiële intelligentie, maar altijd om de controle te verliezen. Hij drukt met machines, maar handmatig, met zweterige precisie. Hij werkt digitaal, maar zoekt tastbaarheid. Zijn werk is als een ademhaling: in- en uit, verschijnen en verdwijnen.
Nu, na jaren van zoeken, sluit hij een hoofdstuk af. “Alles wat ik sinds 2021 heb gemaakt, zet ik op een harde schijf,” zei hij. “Ik leg ze in een kast, en hopelijk open ik ze twintig jaar niet meer.”
De tentoonstelling bij Uitstalling in Genk ziet hij als het einde van een cyclus. Daarna begint hij opnieuw. In 2027 volgt een solotentoonstelling in het Emile Van Dorenmuseum, waar hij opnieuw wil vertrekken vanuit andere bronnen, andere landschappen. “Ik ga alles opnieuw opbouwen,” zei hij. “Nieuwe databases, nieuwe emoties, nieuwe kleuren.”
Elia koestert geen grootse ambities. “Ik wil geen fabriek,” zegt hij. “Ik wil geen vijf lasercutters. Ik wil genoeg geld om hout te kopen, en tijd om langzaam te werken.” Zijn droom is niet groei, maar rust. “Thuis hadden we het niet breed,” zei hij zacht. “Ik wil gewoon comfortabel kunnen leven, zonder te moeten kiezen tussen kunst en overleven.”
Misschien ligt daar de kern van zijn werk: het verlangen naar traagheid in een wereld die haast als hoogste waarde aanbidt. Thee die moet trekken. Een houtplaat die moet drogen. Een beeld dat pas betekenis krijgt als je durft te blijven kijken.
Wanneer ik later de volgende dag door de stad flaneer, hoor ik even niets. Geen auto’s, geen stemmen. Alleen het vage ruisen van lucht. Ik denk aan zijn vogels - die er misschien nooit waren, of die ons enkel ontwijken omdat we niet meer weten hoe we moeten luisteren. Misschien zijn ze niet verdwenen. Misschien zijn ze gewoon even stil geworden en wachten tot de mens eindelijk weer zwijgt.
