Op zoek naar de broze balans tussen ontkomen en onbehagen, creëert
Elia Vanderheyden (°2000) landschappen die net niet te verontrustend
zijn om een uitnodiging tot verdwalen in de weg te staan. Een abstractie
met neiging tot glitchen dompelt ons onder in een wereld waar een
ontbrekende horizon elke verwijzing naar tijd of plaats verzwolgen heeft.
In een proces dat even spontaan als doordacht is en waarbij techniek en
toeval hand in hand gaan, bieden de lasercutprints, schilderijen en digitale installaties de toeschouwer atmosferen die aansporen en afstoten.
Het zijn vervaagde vindplaatsen van een wereld die de mens nooit betreden heeft, locaties die voor ons ontoegankelijk blijven of zich situeren in een verre toekomst voorbij ons bestaan. Een wereld waar Vanderheydens hang naar een duel tussen het dreigende en het sublieme volledig het toneel krijgt.
In Vanderheydens landschappen werkt geen enkel kompas. We bewegen
ons in het domein van wat de kunstenaar ‘kosmische horror’ noemt, een begrip waarmee hij aangeeft geïnspireerd te zijn door het werk van schrijver H.P. Lovecraft (1890–1937). In Lovecrafts verhalen ligt de werkelijke verschrikking niet in monsters die je kunt zien en begrijpen, maar in de confrontatie met het onbevattelijke en onbenoembare, met krachten die zo oeroud en immens zijn dat de menselijke geest ze niet kan bevatten zonder krankzinnig te worden.
Op een gelijkaardige manier gaat Vanderheyden op zoek naar dat precaire punt waar het akelige en het wonderbaarlijke elkaar raken. Deze
ondefinieerbare onrust vormt de hoofdlaag van zijn uitzichten die nooit
expliciet bedreigend zijn, maar wel doordesemd van iets oncomfortabels.
Zijn beelden onttrekken je de vraag: zouden we overleven mochten we in
het kunstwerk stappen? Zijn we zeker dat we nog op aarde zijn? Het akelige wordt hier ingezet als middel om los te komen van onze vertrouwde wereld, als verzoek om te verdwalen in het onbekende.
En daarmee bereiken we de kern van Vanderheydens kunstenaarschap: de beelden zijn de culminatie van een wens om even weg te sluipen uit onze wereld. In een tijd waarin we dagelijks vastgehouden worden door allerlei zorgen en prikkels, bieden deze landschappen een open deur. Ze zijn een manier om een eigen ruimte te creëren waarin de mens afwezig is en alles onbestemd blijft en stilstaat. De afwezigheid van mensen is in die zin geen dystopische visie, maar een vorm van romantisch optimisme waar de natuur de bovenhand krijgt zonder dat dit bedreigend hoeft te zijn.
Zo verenigt Vanderheyden het akelige en het rustige in een bevrijdende
dualiteit. In die zin staat de ruis die veel van zijn oppervlakken bespikkelt
haast voor de ruis die ons overvalt wanneer het eindelijk eens écht stil is.
Het wazige zoemen van het oppervlak bewaakt daarnaast ook afstand
en vrijheid. Als bijproduct van de lasercutter, wordt de nevelige textuur
bewust gekoesterd omdat het verhindert dat de werken te duidelijk of
letterlijk worden. Als een sluier van waterdamp die het zicht uit een raam
vertroebelt, laat de ruis veel ruimte om de toeschouwer het landschap
zelf te laten invullen willen ze de beelden doorgronden. Waar een heldere
weergave de hersenen in rust laat, activeert de waas juist onze verbeelding.
De korrel herinnert ons bovendien aan oude fotografie, wat de geschiedenis laat vertroebelen: we associëren de landschappen gemakkelijk met een ander tijdperk. Hier komen fascinatie en bewondering elkaar tegen in een tijdloze huiver.
Vanderheyden combineert niet toevallig oude technieken met hedendaagse technologie. Hij ontwerpt zijn landschappen deels digitaal; hij deelt ze op in kleurlagen en laat ze vervolgens graveren door een lasercutter, om die dan archaïsch af te drukken op Japanse wijze op verschillende papiersoorten. De AI die hij gebruikt, een redelijk ‘primitief’ programma uit 2019; deze digitale tool begrijpt niet alles en vergeet soms
informatie over te nemen, wat toelaat dat digitale storingen onverwachte
wendingen weergeven. Zijn techniek wordt zo een ontdekkingsreis waarin wijdse verzonnen landschappen uit videogames samenkomen met geremixte bossen van romantisch schilder bij uitstek Caspar David Friedrich (1774–1840), een van zijn grote inspiratiebronnen. Voor Vanderheyden belichaamt Friedrich het toppunt van het sublieme op een manier die aansluit bij de kosmische horror. Vanderheyden put uit deze romantische traditie, waarbij het sublieme niet zozeer iets is dat je kunt nastreven, maar iets dat je moet overkomen. Wanneer je ernaar op zoek gaat, krijg je het niet te zien.
Het sublieme, het gevoel van iets zo groots dat het bijna onverdraaglijk
wordt, vormt een belangrijke pijler in Vanderheydens werk. Friedrichs
schilderijen verbeelden in die zin de menselijke nietigheid tegenover een
spirituele natuur: eenzame figuren in uitgestrekte landschappen, ruïnes,
mistige zeeën en oneindige horizonten. Net als Friedrich wil Vanderheyden een sfeer scheppen waarin de toeschouwer geconfronteerd wordt met iets dat groter is dan zijzelf. Vanderheydens landschappen benaderen een verlangen naar het oneindige dat tastbaar wordt, terwijl een cluster van immaterialiteit en dwaaltuin vormen oplost in structuren die we niet kunnen thuisbrengen. In deze vervloeide werelden wordt de horizon niet alleen weggenomen, maar ook opnieuw uitgevonden. Hier kunnen we ontsnappen als we besluiten te blijven.
Where Have the Birds Gone? is het solodebuut van Elia Vanderheyden in
KUBE Gallery in Genk. De afwezigheid van vogels wordt hier een metafoor
voor een natuur die ons ontglipt, maar die vanuit de vervreemdende
stilte ruimte laat voor verbeelding. Met deze tentoonstelling presenteert
Vanderheyden niet enkel zijn houtsneden en werken op papier, maar voor het eerst ook schilderijen en installaties waarmee hij de toeschouwer nog verder meevoert naar een wereld waar het sublieme en het ongrijpbare elkaar raken.
Tekst door Yasmin Van ’tveld