In het statige herenhuis van Eva Steynen Gallery in Antwerpen ontspruit de solotentoonstelling Voir que ça tient van Benoît Félix. Meteen valt het spel op: in het werk, tussen de werken en met de ruimte. Tekeningen zijn met de hand uitgesneden en delicaat opgehangen. Een vliegenmepper, met het net uit het kader gesneden, wordt Le rate-mouche en ontlokt een glimlach. Een gevonden stuk geplooide zink wordt een richtingwijzer en onthult elders een werk. In het midden van de ruimte buigt een werk zich naar een nieuwe vorm: tijdens de opbouw klemde Benoît het tussen de parketplanken. Hij speelt met gedaantes en met manieren van kijken, lezen en luisteren en laat het geheel uitnodigend dansen.
Dat speelse schuiven krijgt een eerste kiem in de herfst van 2024, wanneer een handeling stokt en de titel zich aandient. “Ik wilde een blok hout breken, maar het hout hield me tegen; mijn beweging stopte,” vertelt Benoît. “Voir que ça tient flitste door mijn hoofd.” Het werd de eerste in een reeks sculpturen die ontstaan precies waar een materiaal resisteert. “Als ik deze vorm echt zou willen creëren door het hout te breken of te splijten, dan is het echt niet zeker dat ik daarin zou slagen… Ik besef dat ik op dat moment al kunst aan het maken was zonder het door te hebben.”
In het Nederlands krijgt de titel een extra laag: “Zien dat het houdt”, waarin houdt en hout subtiel over elkaar heen schuiven. Het materiaal dat weerstand biedt, onthult zo de vorm.
Van die stokkende beweging naar een precieze handgreep: Benoît tekent en snijdt totdat enkel lijnen overblijven. Zijn werk vertrekt vaak van tekeningen op taai, onscheurbaar papier, vergelijkbaar met het materiaal van papieren festivalbandjes. Hij snijdt alles rondom de getekende lijnen weg, tot enkel de tekening zelf resteert: een trompe-l’œil dat op het eerste gezicht lijkt op draden met knopen die op de muur zijn vastgezet.

Hij ziet zelf linken tussen zijn praktijk en zijn vroegere werk in de psychiatrie: “Ik werkte veertien jaar met kinderen en adolescenten met schizofrenie. Ze leerden me dat de grenzen tussen beeld, taal en object (en lichaam) niet voor iedereen vanzelfsprekend zijn. Een licht dat dansend reflecteert op de vloer kan bedreigend zijn. Ik persoonlijk weet dat het een beeldeffect is, maar dat is niet voor iedereen zo snel duidelijk. Ze moesten strategieën vinden om die verschillende registers te scheiden. En dat idee beïnvloedde mijn werk enorm om met die grenzen te spelen. Op die manier kan een verhaal van een schilderij een sculptuur worden en andersom.”
Daarom functioneren zijn titels niet als etiketten, maar als onderdeel van de beleving van die registers van taal, object en beeld: ze kantelen het kijken. In U et Y pour tenir kantelen per kijkhoek twee lijnen tot speelse letters. Le poids de la transparence legt een glasblok op een handfoto, zodat gewicht als druk zichtbaar wordt. In Voir un lien entre peinture et ceinture volstaat één letter (p of c) om het oog te laten zoeken waar de leren riem eindigt en de schilderij aanvangt. Het geheel wordt op haar beurt dan weer een object.
Soms verplaatst dat sturen zich zelfs naar het oor. In Soudain, la substitution du lisible au visible (un A pour écouter si c’est vrai) herken je meteen een “A” in het object, maar wanneer Benoît het voorwerp heen en weer schudt, horen we geen “aaa” maar een intrigerende “i-i-i:” de leesbare letter schuift naar een hoorbare misvatting en trekt ineens alle registers van lezen, schrijven en luisteren open. Rature pour deux hangt een doorhaling, een “fout”, op aan de muur, met langs weerszijden twee handvatten om vast te nemen en om mee rond te wandelen: een subtiele knipoog dat we fouten samen dragen. In Deux “T” pour croire que vraiment c’est un élastique rekt hij het papier tot aan de grens van het materiële, terwijl de titel onze blik en het werk subtiel bevraagt.

Waar perceptie schuift, zo ook de idee dat fouten maken verkeerdelijk of jammerlijk is. In Les blessures sont les réparations (filet à regard) markeert hij kleine haperingen van zijn uitsnijdingen als wonden met rood. Het net vangt de blik precies waar het maken heeft ‘gefaald’. “Ik hou niet van mislukken,” zegt hij, “maar nu worden die blessures aanwijzingen. Sommige mensen vragen me: ‘waarom doe je dat allemaal met de hand? Gebruik gewoon een machine? Dat gaat zo veel beter en sneller’. Maar dan denk ik: een machine maakt geen fouten. En dit mislukken is uiteindelijk de poëtische geboorte geweest van het werk.”
Zijn sobere manier van werken is niet enkel esthetisch, maar ook logistiek doordacht en ecologisch consequent: eenvoudige materialen en transport zonder fratsen. “Als ik tentoonstellingen heb in het buitenland, dan ga ik met de trein. En ik kan al mijn werken in één grote zak meenemen. Geen camionette nodig, gewoon een ticket, een zak en twee armen,” lacht hij.

Op het einde van mijn bezoek, valt er een werk op met een gedicht als titel. “Mijn titels zijn erg belangrijk en een integraal deel van mijn werk,” zegt Benoît, “maar ze ontstaan altijd pas nadat het werk klaar is.” De titel van dit werk luidt: Aan het uiteinde van een in het zwart gedoopte penseelstreek, altijd zien hoe de nacht het licht laat verschijnen, en tanden (Origineel: Au bout d’un trait de pinceau trempé dans le noir toujours voir la nuit laisser du blanc paraître, et des dents). Ik dacht eerst dat het werk in een glazen vitrine zat. Maar van dichtbij blijkt het werk toch rechtstreeks met pinnetjes op de muur aangebracht. Het is ongelofelijk hoe het voor even leek dat de zwarte verf door een glazen omhulsel lijkt te breken. Ik kon mijn blik er niet van afwenden. “Het fascineert me wanneer een werk iets in gang zet bij de kijker,” antwoordt Benoît wanneer ik hem mijn gedachtespel vertel. “Voor mij is kunst een relationeel, sociaal object,” gaat hij verder. “De kunstenaar geeft, maar krijgt ook terug; de kijker weet soms iets wat ik nog niet weet. Ik wéét iets, maar nooit alles. Het kunstwerk is groter dan de kunstenaar; de kunstenaar is le petit.”
En door dat denkbeeldige ‘glazen doosje’ tussen maker en kijker ontstaat misschien wel de kern van Voir que ça tient: het werk houdt omdat wij het samen in dialoog dragen.