Voor Maxime Brigou (Roeselare, 1992) begint een kunstwerk niet met een plan, maar met materiaal dat zich niet zomaar laat temmen. Plastic, licht, zwaartekracht en toeval bepalen mee de richting van haar sculpturale schilderijen. Wat op het eerste gezicht een ingeperkt beeld lijkt, blijkt een werk dat voortdurend in beweging is. Het daagt de kijker uit om langer te kijken, dichterbij te komen en vervolgens vast te stellen dat niet alles zich zomaar prijsgeeft.
Haar werk is deze maand op drie plekken tegelijk te zien: bij Fred&Ferry in Antwerpen, in W/LD W/ND bij Re-Rom in Gent en nu ook bij Barbé Gallery. Tijd om af te spreken in Ontsteking, de artist-run space die ze zelf mee runt en waar ze haar atelier heeft. Brigou spreekt er over haar overstap van schilderkunst naar sculptuur, de invloed van Peter Buggenhout, de noodzaak om zonder compromissen te werken en haar groeiende ongeduld met een kunstwereld die alles liefst in één zin wil begrijpen.
Je duikt plots overal op. Moet ik me zorgen maken?
Toeval, denk ik. Ik heb een jaar niet zoveel gemaakt. Geen dipje, dat heb ik eigenlijk nog nooit gehad, maar het heeft wel geduurd. Nu zit ik er weer helemaal in. Drie tentoonstellingen tegelijk is veel, maar ik werk heel goed onder druk. Zonder deadline blijf ik honderdduizend dingen aanzetten en werk ik niets af. Je voelt dat ook in het werk, denk ik. Ik probeer iets te maken dat altijd blijft veranderen.
Je werk hangt aan de muur, maar ik vermoed dat het 's nachts wegloopt.
Je ervaart het als schilderijen, maar eigenlijk zijn het sculpturen. Daglicht is superbelangrijk, de beweging van de toeschouwer ook. Als er licht op valt, werpen die dingen hun eigen schaduw op het paneel erachter. Dat verschuift de hele tijd. Mijn hart ligt nog altijd bij het schilderen, maar er is een element dat ik met verf alleen niet krijg. Het licht. Je kunt proberen licht te schilderen, maar eigenlijk gaat dat niet. De grootste kwaliteit van licht is net dat het voortdurend verandert.
Maxime Brigou, Coup d’œil #27, 2022, FRED&FERRY
Op een bepaald moment heb je de borstel neergelegd.
Neergelegd is veel gezegd. Tot mijn twintigste heb ik alleen maar geschilderd, elke dag, alle formaten. Ik kwam op het toelatingsexamen schilderkunst van KASK aan met zo'n honderd schilderijen. Ik had één foto bij van een sculptuur, een verplicht nummertje uit het middelbaar. Philip Metten zat in de jury. Ik doe mijn hele uitleg, en hij zegt: voor schilderkunst ben je niet toegelaten, voor beeldhouwkunst mag je komen. Ik was er kapot van. Is het nu zo slecht?
Ben je ooit te weten gekomen waarom?
Het was het eerste wat ik hem vroeg. Ik was die eerste week een beetje kwaad. Hij zei: je gaat je vervelen. Ik dacht: hoe kan hij dat nu weten? Maar hij heeft honderd procent gelijk gekregen.
Waarom sluipt de verveling in het doek en niet in het beeld?
Ik heb de voorbije tien jaar meermaals opnieuw geprobeerd klassiek te schilderen. Olieverf en doek. Die directheid is heerlijk en verf is een prachtige materie. Maar ik kan mezelf er niet mee blijven verrassen.
Het materiaal waarmee ik werk, heb ik niet onder controle en dat heb ik echt nodig. Er breekt een stuk af. Zwaartekracht en uv-licht doen hun werk. Ik begin ook nooit vanuit een schets, wel vanuit wat hier allemaal op de grond van mijn atelier ligt. Je kunt niets plannen, en net dat geeft verrassende resultaten.
Verrassend voor jou, en soms ook voor de curator.
Het werk bij Benedicte Goesaert bij Re-Rom was eerst heel langwerpig. De dag voor ik het moest brengen, voelde ik het niet. Ik heb er een stuk afgezaagd tot er twee derde van overbleef en ineens was het er. Ze had foto's gezien van iets sobers, zwart, wit, grijs, een beetje roze. Die had ze al doorgestuurd. Toen ik het uitpakte, was het behoorlijk fel geworden. Haar gezicht zei: oeps. Maar dat moet kunnen, vind ik.
Je wil licht en beweging, en toch sluit je alles hermetisch af. Achter iets dat net niet transparant is.
Het werk is ontstaan uit die tegenstrijdigheid. Ik vind sculptuur een prachtig medium, maar ook een moeilijk. Een sculptuur neemt een plek in die wij ook hadden kunnen innemen. Een schilderij hangt binnen een kader en is veel makkelijker te vatten, ook voor de kunstenaar. In zeker opzicht vormt deze kader een grens die ik nodig heb. Zonder grenzen blijf ik maar verder dwalen. Ik merkte van in het begin dat ik mijn sculpturen altijd in een kader, een vitrine of een hoekje duwde. Ik had die afsluiting nodig, anders bleef het gaan. Het is een constant gevecht.
En dan komt het plastic.
Dat is een voertuig. Je ziet een stuk isomo en je identificeert het meteen als wat het is. Dat blokkeert je blik. Met het plastic toon ik het je wel, maar net niet helemaal. Ik wil geen dood werk maken, geen afgewerkt verhaal op een blaadje: kijk, dit zie je en dit moet je ervan denken. Je moet naar jezelf kijken in plaats van naar mij om het antwoord te vinden. Mensen willen meer zien en komen dichter. Logisch. Maar hoe dichter je komt, hoe minder je ziet. Sommigen raken daar echt geïrriteerd van. Ik vind dat wel grappig.
Dus hoe verder de mensen van je werk weggaan, hoe liever je het hebt.
Het gaat om het ongrijpbare. De titel Coup d’œil kun je vertalen als oogopslag, maar ook als een coup, een bezetting van het oog. Iets grijpt je aandacht zonder zichzelf te tonen. Het speelt zich af onder de oppervlakte. Dat onbekende heeft me altijd gefascineerd. Uit nieuwsgierigheid, maar ook uit het stomme geloof dat je iets kunt ontdekken wat niemand anders weet. Alleen jij. En ik voelde me altijd aangetrokken tot wat niet mag. Een soort onderwereld. Plekken waar je niet hoort te zijn, dingen die zich tonen terwijl ze niet voor jouw ogen bedoeld waren. Je ziet iets in je ooghoek en het is al weg. Dat zijn beelden die ergens in mijn hoofd zitten, maar die ik niet letterlijk kan terugroepen. Geen omlijnde beelden. De essentie van iets. Die essentie jaag ik na. Ik zoek een eerlijkheid, niet alleen voor mezelf, maar ook als geschenk aan wie kijkt.
Plastic is toch plastic?
Dat zegt iedereen. Het begon met één rol die ik gekregen had, tien meter op vier. Op een dag ben ik die beginnen te verwarmen, ik weet niet meer waarom. Je ziet de moleculen verschuiven. Eerst zakt alles door, en als het afkoelt spant het keihard op. Ik raakte er bijna van in trance. Ik ben gaan uitzoeken waar het vandaan kwam. Het bleek gerecycleerd plastic te zijn, één batch met precies die eigenschap. In Antwerpen vond ik nog één rol. Nu is het op. Het nieuwe plastic is uv-bestendig, dit niet. Maar dat het eindig is, vind ik net mooi.
Is er materiaal waar je nooit aan zou komen?
Waardevolle dingen. We zijn met school tien dagen naar Carrara geweest. Dat marmer is zo mooi dat het me tegenhoudt. Ik heb ook extreem weinig geduld dus respectvol omgaan met die materie is op een gegeven moment niet meer haalbaar. Hetzelfde met hout dat honderden jaren oud is. Wie ben ik om dat in één keer kapot te maken? Als je te veel respect hebt voor je materiaal, lukt het niet.
Ik dacht bij je werk aan een opgesloten Peter Buggenhout met een vleugje Berlinde De Bruyckere.
Ik ben assistente bij Peter. Ik ben er tien jaar geleden als stagiaire binnengekomen, op aanraden van een medestudent, zonder te weten wie hij was. Peter keek naar mijn werk en zei: ik snap al waarom je hier bent. Ik durfde natuurlijk niet te zeggen dat ik hem niet kende. Hij is dertig jaar ouder, maar we zitten op dezelfde lijn als het over werk maken gaat. Mensen voelen die link altijd. Dat vond ik lastig, toen ik mijn eigen taal nog niet had. Nu zie ik het eerder als een compliment. Intussen weet ik heel goed met welk gedachtengoed ik akkoord ga en met welk niet. Maar alles waarmee je je omringt, heeft invloed. Wat ik zonder hem gemaakt zou hebben, is onmogelijk te bedenken. Visueel is de verwantschap duidelijk. Inhoudelijk drijf ik verder weg, denk ik.
Maxime Brigou, FRED&FERRY
Wat heeft hij je geleerd?
Dat je er moet zijn. Ook zonder goesting. Dat romantische idee van inspiratie, vergeet het. Een dag naar de muur staren zorgt voor de frustratie waar het de volgende dag uit komt. Die frustratie drijft je. Wie te comfortabel zit, voelt de noodzaak niet om werk te maken. Maar compleet depressief zijn blokkeert je evengoed. Je hebt die grijze zone nodig, ergens tussen noodzaak en geloof. Of je begint op te ruimen en plots zie je iets. Je moet die toevalligheden voor jezelf creëren. Slechte werken maken. En weer kapot doen. Blijven sleutelen, blijven ploeteren. Heel af en toe is er een magisch moment. Dat valt met niets te vergelijken, maar het is ook zo weer weg. Dus ga je verder. Dat gevoel komt alleen als je tijdens het maken diep in jezelf graaft. Wie zich er niet volledig in smijt, heeft het makkelijker. Maar de beloning blijft dan ook uit.
Kwam de kunst van thuis uit?
Absoluut niet. Mijn vader kan nochtans heel goed tekenen, maar hij deed het nooit. Het enige kunstboek in huis had hij ergens gratis bijgekregen. Bosch. Elke zondagmiddag. Ik ken het helemaal vanbuiten en het zit er diep in. Voor de rest heb ik de bibliotheek van Roeselare uitgelezen. Op school ging het niet. Ik was niet stout, ik was altijd ergens anders. Een dromer, en extreem vergeetachtig. Op dingen die ik saai of nutteloos vind, kan ik me onmogelijk concentreren. Dat voelt als een marteling. Tegelijk kan ik obsessief opgaan in iets, en ik heb veel discipline. Een goeie combinatie, maar niet om op school in de pas te lopen. Regeltjes volgen die in mijn ogen geen nut hadden, dat lukte me gewoon niet. Via via hoorde ik van een school waar je kon tekenen. Zo is het altijd gegaan. Geen plan.
Bosch op zondagmiddag. Is die nooit weggegaan?
Ik haal mijn inspiratie niet zozeer uit andere kunstenaars, eerder uit ideeën en uit alles waarmee ik me dagelijks omring. Maar de oude meesters zijn belangrijk om mijn werk te begrijpen. Vooral die christelijke taferelen. Je ziet het aan de kleuren en de composities. Intussen komt dat bijna vanzelf. Alleen was het nooit de afgebeelde gruwel of verheerlijking die me raakte, wel het gevoel dat zo’n schilderij me gaf. Ik wist vaak niet wie er afgebeeld was, of waarom iemands hoofd eraf moest. De impact werd er niet kleiner door. Met films heb ik hetzelfde. Ik ga zo op in het beeld dat het verhaal me volledig ontgaat. Dan kijk ik gewoon naar een opeenvolging van beelden.
Hoeveel verhaal heeft een kunstwerk dan nodig?
Dat is precies de vraag van mijn reeks grote werken van de voorbije twee jaar. Ze heten Who Needs Action When You Got Words, naar de Meat Puppets. Hoeveel verhaal heb je nodig om een gevoel op te roepen? Niet op de manier van Rothko, dat is echt abstract. Mijn werk is niet abstract, maar ook niet echt figuratief. Waar houdt het een op en begint het ander? En waar in die tussenruimte gaat het verhaal verloren? Daar ontstaat iets dat je buik en je hart herkennen, zonder dat je er meteen de vinger op kunt leggen. Ik wil niet alles invullen. Er moet plaats blijven voor wat iemand zelf meebrengt: herinneringen, associaties, gevoelens.
En nu leer je Arabisch.
Ik was een beetje verveeld geraakt met altijd vanuit onze christelijke geschiedenis te denken. Ik zocht een frisse blik op die vraag van het verhaal. De taal ben ik beginnen leren omdat ze zo poëtisch en visueel is, compleet anders dan ik taal ooit ervaren heb. In de religieuze kunst van de islamitische wereld wordt het goddelijke voelbaar via kalligrafie, geometrie en ornament. Zonder het als mens voor te stellen. Letters, ritme en herhaling dragen de betekenis. Dat is dezelfde vraag als in mijn eigen werk. Hoe maak je iets voelbaar zonder het af te beelden? En hoeveel moet je herkennen om erdoor geraakt te worden?
Maxime Brigou, FRED&FERRY
Van Bosch over Rothko naar kalligrafie. Wat drijft je eigenlijk?
Ontevredenheid, meestal. Ik ben permanent ontevreden.
Ik heb zelden iemand zo hard zien lachen bij die woorden. Normaal hoort daar een zuur gezicht bij.
Ik ben wel gelukkig, maar ontevreden. Ik heb als student veel Duitse filosofie gelezen en ben te diep in het nihilisme gegaan. Soms lees je een boek en denk je: dit had ik al bedacht. Zo ging het met Nietzsche en Hegel. Als student heb je nog niet veel gelezen, dus je identificeert je te hard met het eerste waarin je jezelf herkent. Vandaar die korte, intense periode. Intussen heb ik veel meer gelezen en kan ik bepaalde gedachtegangen nuanceren. Het nihilisme zelf zit er niet meer in, maar de kern draag ik mee. Die zoektocht naar waarde, naar zingeving, blijft deel van wie ik ben. Je kunt rust vinden in het idee dat je er niet toe doet. Dan moet je gewoon je eigen waarde vinden.
Wat is het mooiste compliment dat je kreeg? Iets dat je een paar dagen vleugeltjes gaf. Nihilistische vleugeltjes.
Als West-Vlaming mag je niet stoefen. Eerlijk: ik hoor niet zoveel reacties, of ik geloof ze niet. Kunst beleven is iets eenzaams, net als kunst maken. Zoals zoveel in het leven is dat enorm tegenstrijdig. Ik word soms heel triest van die eenzaamheid. Tegelijk is het het mooiste wat er is: iets zo volledig in je eentje meemaken dat je het aan geen enkele andere ziel kunt uitleggen. Een muzikant krijgt de reactie op het podium, meteen. Wie mij komt zeggen dat het mooi is, heeft die zin in zijn hoofd al dertig keer herschreven. Hoe spontaan is dat dan nog?
Jonge kunstenaars moeten vandaag in een hokje passen.
En dat hokje heet: eruit springen. Een onmogelijke contradictie, eigenlijk. Het moet verkoopbaar zijn en in één catchphrase te vatten. Waarover gaat je werk? Sorry, over zoveel. Bij zin zes merk ik dat de aandacht al weg is. Mensen nemen de tijd niet meer.
Vijfhonderd likes, vierhonderdnegentig man op de receptie. Ze weten wat ze gedronken hebben.
Maar de naam van de kunstenaar niet. Exact.
Met Ontsteking doe je daar zelf iets aan. Is het een galerie?
Zeker niet. Een artist-run space. Eva Dobbels en ik doen dat nu tien jaar. Lenny Vervaeke is er nu sinds vier jaar bijgekomen. We vonden als pas afgestudeerden zonder centen geen plek om ons werk professioneel te tonen. Toen kregen we deze ruimte. Er was niets: geen trap, geen deur, geen water, geen elektriciteit. We hebben twee jaar verbouwd, elk weekend en elke vakantie. De stad steunt ons, net genoeg voor de vergoedingen van de kunstenaars, de verzekering en de huur. We willen de grijze zone zijn: te vroeg of te on edge voor een instituut, niet verkoopbaar genoeg voor een galerie.
Jij zit bij Galería Hilario Galguera. Hoe leef je met de markt?
Het is dubbel. Een galerie ondersteunt je, maar duwt je ook richting verkoop. Iedereen vindt mijn werk groot. Voor mij zijn dat de kleintjes. Ik probeer nu kleiner te werken omdat er vraag naar is, maar ik voel het nog niet. Daarom blijf ik bij Peter werken. Alles wat het atelier opbrengt, gaat terug naar het atelier. Zo moet ik geen compromissen sluiten. Als het om geld ging, kon het sneller. Dan zat ik in de verkeerde branche.
En als er dan toch iemand koopt?
Dan denk ik: wauw, bedankt. Mensen geven er hun zuurverdiende centen aan. En ze willen ermee leven, het hangt boven hun zetel. Dat vind ik straf. Ik heb zelf geen kunst in huis. Hier is het al zoveel informatie. Als ik iets gezien heb, is dat voldoende. Roland Barthes schrijft dat je een goede foto niet wil hebben. Je wil erin zitten. Zo is kunst voor mij ook.
Maxime Brigou, FRED&FERRY