Aan de ene kant een huid die blijft groeien. Aan de andere kant een ziel die zich niet laat vastpinnen. BARBÉ heeft ze allebei, één deur van elkaar, en toch voelen ze aan als twee uitersten van dezelfde vraag. Wat is een lichaam zonder verhaal? En wat is een verhaal zonder lichaam? Ik loop van de ene ruimte naar de andere en merk hoe snel de knop omgaat. Bij Jens Kothe kijk je naar buiten, naar oppervlak, naar huid. Bij Balkenhol, Jacques-Vossen en Lutgens kijk je naar binnen, naar wie er precies onder die huid schuilt. Samen vormen ze geen dubbeltentoonstelling, eerder een gesprek tussen twee kamers die toevallig dezelfde eigenaar hebben.
Bij een wandobject van Jens Kothe vertelt Galeriehouder Oliver Barbé me dat hij bij deze kunstenaar het gevoel heeft dat zijn werk blijft doorgroeien als je het een jaar laat hangen. Alsof er dan stukken bij zijn gekomen.
Kothe, geboren 1985 in Duitsland, woont en werkt tussen Bochum en Düsseldorf. Hij is leerling van niemand minder dan Andreas Gursky, al is het onderwerp van zijn leermeester in niets terug te vinden in zijn materie. Waar Gursky de wereld platsloeg tot een oppervlak van duizend details, zoomt Kothe in op één huidplooi. Fotografie zit volgens hem structureel in zijn beeldhouwwerk. Je zoomt in op een hand en je komt uit bij een landschap van nagel, huid, haar. Barbé toont me een foto van iemand die net uit het zwembad komt, en als je goed kijkt zie je de rimpeling van het water, de kleurverschillen op de huid, de schaduw die het lichaam levend maakt. Daarna kijk je naar de wanden ernaast en zie je hetzelfde gevoel, vertaald naar vulwatten en siliconen.
Jens Kothe, Stressed Membranes Tiny VII, 2026, BARBÉLetterlijk, trouwens. Een werk als Stressed Membranes Tiny VII bestaat uit vulwatten, hout, nietjes, acryl, pigmenten, stof, stretchfilm en epoxy: twee gedempte, huidkleurige kussens, ingebed in een zachtere omlijsting, die je meteen aan een vingerafdruk doen denken zonder ooit een vinger te zijn. Het is die dubbelzinnigheid die Kothe zoekt. Zijn vormen doen denken aan lichaamsdelen, maar even goed aan een stuk meubelstoffering of een industrieel onderdeel, en die onzekerheid geeft het werk zijn vreemde, bijna hongerige aanwezigheid.
Jens Kothe, Keramikraster 1, 2026, BARBÉWat me raakt, meer nog dan het organische, is hoe ver Kothe die logica doortrekt tot buiten het lichaam. Keramikraster 1 is – zoals de titel reeds doet vermoeden - een rasterwerk van ongeglazuurde, keramische tegels, met sporen van oliepastel en siliconen, gevat in een ruwe, met de hand geknede rand. Op het eerste gezicht een tegelvloer, een badkamerwand, iets huishoudelijks en overzichtelijk. Maar de vlekken en haartjes die erover uitwaaieren horen daar niet thuis, en precies dat vreemde element trekt het huishoudelijke open tot iets kwetsbaars. Je moet het zien om het te geloven, en zodra je het gezien hebt, kijk je niet meer naar een tegelvloer.
Jens Kothe, Grenzflächen II, 2026, BARBÉDe titel, Grenzflächen, grensvlakken, is dan ook geen sier. Barbé omschrijft het zelf als de drempels die door heel Kothes praktijk lopen: tussen lichaam en object, binnen en buiten, het organische en het geconstrueerde. Het duidelijkste voorbeeld hangt er middenin: een foto waarbij je van de ene rand naar de andere kijkt en het materiaal voortdurend verschuift, van rood naar zacht, van navel naar huid. Grenzen zijn bij Kothe geen afsluiting. Ze zijn precies de plek waar het interessant wordt.
Arcana Animi, BARBÉ
Arcana Animi: kaarten die je zelf niet kiest
Enkele stappen verder, aan de Baudelostraat, verschuift het register van huid naar personage. Arcana Animi, letterlijk de geheimen van de ziel, brengt Stephan Balkenhol, Clément Jacques-Vossen en William Ludwig Lutgens samen rond een simpele vraag: wie ben je als elke rol wegvalt? En bestaan die rollen eigenlijk wel los van jezelf?
De vergelijking die ik meekrijg is die van een kaartspel. Iedereen heeft dezelfde persoonlijkheid, maar je speelt andere kaarten naargelang wie tegenover je zit. Tegen een collega speel je een andere kaart dan tegen je kind, en toch blijf je dezelfde speler. In de tentoonstelling krijgen die kaarten namen: de landloper, de nar, de kapitein. Archetypen die je meteen herkent, en die precies daardoor ongemakkelijk blijven.
Stephan Balkenhol, Mann mit weissem Hemd und schwarzer Hose, 2026, BARBÉBalkenhol is de gevestigde waarde hier, letterlijk uit het hout gesneden. Geboren in 1957 in Fritzlar, gevormd aan de Hochschule für Bildende Künste in Hamburg bij onder meer Sigmar Polke, en ondertussen te zien geweest in onder meer de Deichtorhallen Hamburg en het Hirshhorn Museum in Washington. Zijn figuren dragen de sporen van hun eigen ontstaan, barsten en al, en weigeren je een verhaal te vertellen. Ze zijn niemand in het bijzonder en daardoor bijna iedereen. Grappig genoeg werd hem verweten dat hij in de jaren tachtig, op het hoogtepunt van het minimalisme, terugkeerde naar de mens. Radicaal, zegt de galerie, en vandaag kijken jonge bezoekers naar diezelfde figuren en zien ze vooral iets schattigs. Zo verglijdt een schandaal geruisloos naar aanvaarding, en dat zegt evenveel over ons als over Balkenhol.
Clément Jacques-Vossen, Troubadour, 2026, BARBÉClément Jacques-Vossen, geboren in 1996 in Brussel, werkt de andere hoek van de kaart af: ridders, dwazen, heraldiek, zelfportretten die zich vermommen in middeleeuwse symboliek. Geschiedenis als verkleedkist, niet als illustratie. Waar Balkenhol de figuur juist ontdoet van elk narratief, stopt Jacques-Vossen er net zoveel narratief in als het canvas verdraagt, tot het bijna barst van de verwijzingen. Twee tegenovergestelde strategieën om hetzelfde probleem op te lossen: hoe geef je een gezicht een identiteit zonder het een naam te geven.
William Ludwig Lutgens, Peanut Butter Rebellion, 2026, BARBÉEn dan is er William Ludwig Lutgens, geboren in 1991 in Turnhout. Deze kunstenaar brengt niet zomaar de folklore binnen, maar het hele apparaat van de laat-kapitalistische maatschappij die erachter schuilgaat. Lutgens werkt over media, schilderkunst, tekening, sculptuur, performance en film heen, en in al die registers duikt hetzelfde personage op: een groteske alter ego, gevangen in een systeem dat het zelf niet doorziet. Humor en horror lopen bij hem voortdurend in elkaar over, aantrekking en afstoting worden verwisselbaar, en precies daar zit zijn commentaar op arbeid, competitie, kunstenaarschap en autoriteit.
Zijn palmares liegt er niet om. Postacademisch traject aan het HISK in Gent, de Eeckman Art Prize op Bozar, de Brussels ArtContest Prize, residenties van Seoul tot Lissabon tot Barcelona, en in 2026 alleen al een duo met Elen Braga bij DMW Gallery, een duo met Alexandra Phillips bij Fleur&Wouter, en een plek in de gezamenlijke Biënnale van de Schilderkunst van het MUDEL Museum, het Raveelmuseum en Museum Dhondt-Dhaenens. Toch blijft, ondanks die indrukwekkende cv, de figuur die hij creëert precies dezelfde: iemand die meespeelt in het systeem en het tegelijk genadeloos ontmaskert.
Twee huizen, één blik
Wat beide tentoonstellingen verbindt, is niet het onderwerp maar de methode: ze tonen je iets herkenbaars en trekken dan de grond onder je herkenning vandaan. Kothe laat je denken dat je naar huid kijkt, tot je beseft dat het over verlangen gaat. Balkenhol, Jacques-Vossen en Lutgens laten je denken dat je naar een portret kijkt, tot je beseft dat je naar een kaartspel kijkt waarin jij zelf meespeelt.
Grenzflächen en Arcana Animi lopen tot en met 4 oktober 2026, Penitentenstraat 29 en Baudelostraat 23, Gent.