Acht namen op een lijst
De pagina laadt en toont acht namen op een rij. Ronny Delrue, Ewerdt Hilgemann, Hans Lemmen, Les Deux Garçons, Riki Mijling, Theo Niermeijer, Adriaan Rees, Robert Schad. Normaal gezien zou ik op een andere manier met hun werk kennismaken. Door om hun werk heen te lopen, de rug ervan te bekijken, de schaduw die het op het grint werpt te meten met eigen ogen. Ik ken ze nu als rijtje, als inventaris. Acht namen, gerangschikt als in een catalogus, wachtend om aangeklikt te worden.
Wat me opvalt, is een zin verderop op de pagina: de meeste beelden zijn niet in de galerie zelf te bezichtigen, maar op atelier bij de kunstenaars of in de openbare ruimte. De online tentoonstelling wijst dus voortdurend van zichzelf weg. Ze is geen bestemming maar een wegwijzer, een drempel die naar een elders verwijst waar ik vandaag niet kom. Ik bekijk een index van afwezigheden, netjes gefotografeerd.
Normaal begint een tentoonstellingsbezoek voor mij met een drempel die ik fysiek overschrijd: een deur, een grindpad, een galerijhouder die me wellicht bij naam kent. Hier is de drempel een scrollbar. Geen korte aarzeling voor ik binnenstap.
Die afwezigheid van weerstand voelt vreemd genoeg zwaarder aan dan een echte drempel ooit zou doen. Waar een galeriedeur me een moment gunt om me te settelen in de rol van kijker, gooit het scherm me meteen midden in acht praktijken tegelijk, zonder overgang, zonder decompressie.
Ik blader door de namen een tweede keer, nu trager. Niet om de werken beter te zien, want daarvoor is er te weinig te zien, maar om mezelf te dwingen elke naam als een aparte wereld te behandelen en niet als een regel in een lijst. Acht ateliers, acht ochtenden waarop iemand ergens in staal, gips, keramiek of hout een beslissing nam die uiteindelijk op dit scherm gereduceerd wordt tot een breedte van 500 pixels.
Atelier les deux garçons, Le grand protecteur, Coppejans Gallery
Een tuin zonder wind
De tekst bij de tentoonstelling zegt het zelf het scherpst: de kracht van een buitensculptuur wordt bepaald door haar verhouding tot de omgeving, het licht, de seizoenen en de mensen die er voorbij wandelen. Een beeld in open lucht verandert mee met de tijd. Precies dat maakt de paradox van vandaag zo scherp voor mij. Op het scherm is elk beeld gereduceerd tot één bevroren moment, gekozen door een fotograaf die allang weer weg is. Ik zie niet het beeld in de wind, ik zie het beeld op de dag dat het niet waaide, op een uur dat iemand anders koos.
Ik denk aan wat een sculptuur in open lucht juist onderscheidt van een schilderij aan een muur: ze heeft geen vaste belichting of vaste hoek, geen enkel definitief aanzicht. Een JPEG daarentegen is precies dat: één definitief aanzicht, uitvergroot tot representatie van een geheel dat zich per definitie niet laat vangen in een enkel beeld. Wat ik bekijk is dus strikt genomen nooit het beeld zelf, maar een claim over het beeld, een belofte die ik op goed vertrouwen moet aannemen.
En toch merk ik dat die belofte zich niet laat vastklikken. Tussen de rijen thumbnails door glipt af en toe iets van intentie die mijn nieuwsgierigheid prikkelt eerder dan bevredigt. Het scherm toont geen beeld, het toont verlangen naar een beeld.
Riki Mijling, Two Pieces, 2016, Coppejans Gallery
Kiezen zonder aan te raken
Onder de werken zelf staat een reeks tips, bedoeld voor wie een sculptuur voor eigen tuin of terras overweegt. Kies niet voor decoratie maar voor interactie. Gebruik een beeld om een plek een bestemming te geven. Denk verder dan de tuin van vandaag, want bomen groeien en zichtlijnen verschuiven. Speel met de seizoenen, want waar bloemen komen en gaan, blijft een sculptuur. Durf groter te denken dan het eerste kleine formaat.
Ik lees deze raad zoals ik nooit eerder aankoopadvies heb gelezen, namelijk als tekst op zichzelf, losgemaakt van elk werkelijk perspectief op een tuin. Ik heb geen patio om een schaal tegen af te wegen, geen gazon waarop ik een zichtlijn zou kunnen markeren. Ik lees over een sculptuur die pas aan betekenis wint naarmate men ermee leeft, terwijl ik op dit moment het tegenovergestelde doe: ik ontmoet acht beelden in een paar minuten scrollen, zonder ooit met een van hen te gaan leven.
Er zit iets ontroerends in die tegenstelling. De tekst belooft een langzame, herhaalde ontmoeting, dag na dag, seizoen na seizoen. Het scherm biedt het tegendeel: een snelle, eenmalige doorloop, ingehaald door de volgende tab, het volgende bericht. Toch is het net dat contrast dat me scherper doet kijken. Wat ik mis aan directheid, probeer ik te compenseren met aandacht voor wat er wél zichtbaar is: een houding, een materiaalkeuze, een naam die ik me voorneem op te zoeken zodra ik weer buiten kom.
Robert Schad, DERGEL, 2016, Coppejans Gallery
De rand die het scherm is
In mijn eigen schrijven keer ik telkens terug naar de spanning tussen rand en kern, tussen het kader dat een werk omlijst en de kern die daarbinnen schuilt. Meestal zoek ik die kern voorbij een museumzaal, voorbij een persbericht, voorbij de rand die een instelling om een werk optrekt. Vandaag is de rand voor het eerst totaal. Het scherm is niet langer een kader om doorheen te kijken, het is de volledige ruimte van de ontmoeting. Er is geen wandeling voorbij het kader mogelijk, geen stap opzij om de kern alsnog te bereiken.
Misschien is dat de eerlijkste manier om deze impressie te lezen: niet als een bespreking van acht sculpturen, want daarvoor heb ik nooit voor een van hen gestaan, maar als een bespreking van het kijken zelf. Van een kunstseizoen ervaren via pixels in plaats van via stuifmeel en steen. Van beelden die me, ondanks het glas ertussen, toch iets influisteren over aanwezigheid, over materie die wacht op wind en licht die haar nog moeten vinden.
Nog geen week geleden stond ik zelf tussen beelden die alleen werken in de volle, wisselende buitenlucht, tussen Turrells hemelvensters en Eliassons regenbogen, en wist ik hoezeer die werken me juist ontglippen zodra ik ze probeer te herleiden tot een foto. Vandaag ervaar ik het omgekeerde: geen lichaam ter plaatse, enkel de foto, en toch iets van dezelfde ontglipping. Misschien is dat de les die het scherm me vandaag leert, dat een buitensculptuur zich sowieso nooit volledig laat vangen, of je nu op het grint staat of achter een computerscherm zit. Het verschil is alleen de mate van illusie die je jezelf toestaat.
Ik sluit de tab. Ergens in Antwerpen of daarbuiten staan Delrue, Hilgemann, Lemmen, Les Deux Garçons, Mijling, Niermeijer, Rees en Schad al weken in de buitenlucht, onaangeroerd door dit bezoek, onwetend van de blik die vandaag over hen streek. Ik noteer de namen, beloof mezelf een tuin te bezoeken zodra de agenda het toelaat, en besef dat dat de enige eerlijke conclusie is die een scherm me kan opleveren. Geen ontmoeting, hoogstens een afspraak. En een afspraak, denk ik nog, is uiteindelijk ook een vorm van trouw aan een beeld dat op je wacht, ook al weet het zelf niet dat het wacht.
Adriaan Rees, Strange Fruit, 2011, Coppejans Gallery