Tijdens haar opleiding tot meubelmaker in Denemarken merkte Anna Aagaard Jensen dat de objecten die zij moest maken vooral waren ontworpen vanuit een mannelijke blik. “De ervaringen die ik als vrouw had, leken geen plaats te krijgen binnen de verhalen die deze objecten vertelden. Voor wie werden ze dan eigenlijk gemaakt?” vroeg ze zich af. Denk aan stoelen waarin vrouwen zich moeilijk kunnen bewegen, of tafels die simpelweg te hoog zijn. Jensen besloot haar eigen sculpturen te maken waarmee ze laat zien hoe maatschappelijke structuren doorwerken in de manier waarop we bewegen, zitten en ruimte innemen. Dat is bijvoorbeeld terug te zien in haar Dining with Daisy Table of womenspreading-stoelen als Boss Lady en Grand Lady, waarmee ze sociale verwachtingen rondom gender en gedrag zichtbaar maakt. Het werk van Jensen is nog tot en met 31 mei te zien bij KERSGALLERY in Amsterdam.
Met haar sculpturen hoopt Jensen een samenleving te creëren waarin meer mensen zich vrij voelen om aanwezig, zichtbaar en gehoord te zijn – ongeacht gender of seksualiteit. Jensen vindt dat de term “meisjeskunst” haar werk tekortdoet: “We spreken tenslotte ook niet over ‘jongenskunst’. En persoonlijk geldt bovendien: ik ben een vrouw, geen meisje.”
Waar is je atelier en kan je beschrijven hoe dat eruit ziet?
Mijn atelier is in Schiedam in een voormalige glasfabriek. De ruimte is opgedeeld in twee delen: een kantoor en een werkplaats, waar ik “vies” werk kan maken. De werkplaats is mijn favoriete plek. Het is een ruimte voor experiment en intuïtie, een plek waar fouten gemaakt mogen worden, waar dingen kunnen ontstaan zonder oordeel en waar ideeën de vrijheid krijgen zich te ontwikkelen.

Heb je een favoriet gereedschap waar je niet zonder kunt?
Ik vind het lastig om te kiezen, maar als ik er één moet noemen dan is het een eenvoudig hobby mes. Dat is het gereedschap dat ik gebruik om te modelleren en zonder dat mes zouden mijn objecten waarschijnlijk te glad of te voorspelbaar worden.
Je hebt een achtergrond als meubelmaker. Wanneer begon je meubels niet alleen als gebruiksobjecten te zien, maar ook als een vorm van zelfexpressie?
Ik denk dat mijn verlangen om afstand te nemen van mijn opleiding in Denemarken voortkwam uit de nadruk op het herhalen van het werk van oude meesters en het “oplossen van problemen” die allang opgelost waren. Voor mij voelde dat repetitief en enigszins overbodig. Belangrijker nog was dat ik mezelf niet herkende in de objecten om mij heen. De ervaringen die ik als vrouw had, leken geen plaats te krijgen binnen de verhalen die deze objecten vertelden. Voor wie werden ze dan eigenlijk gemaakt?
Ik ben meubels en alledaagse objecten steeds meer gaan zien als dragers van verhalen over hoe wij leven, zowel in positieve als negatieve zin. In plaats van objecten perfect te laten functioneren of overal een oplossing voor te laten bieden, gebruik ik ze om gedrag, verwachtingen en maatschappelijke structuren zichtbaar te maken. Ontwerp is tenslotte iets waar iedereen zich toe verhoudt. Zodra je daarin iets verstoort, roept dat onvermijdelijk een reactie op.

Bloemen spelen een prominente rol in je werk, zoals in de Daisy Chair. Welke betekenis heeft de bloem volgens jou?
De bloem vond haar weg naar mijn praktijk in een periode van rouw. Het viel me op hoeveel bloemen er als gebaar van zorg en liefde bij ons thuis werden bezorgd. Wat me fascineerde was dat deze symbolen van troost tegelijkertijd per definitie vergankelijk waren, omdat de bloemen op dat moment al begonnen te verwelken. Ik merkte dat ik verlangde naar een manier waarop die schoonheid kon blijven bestaan in plaats van verdwijnen. Voor mij belichamen bloemen momenteel twee tegenpolen: schoonheid en wreedheid. De schoonheid zit in hun kleur, vorm en symboliek. De wreedheid schuilt in de daad van controle. We snijden bloemen af, schikken ze en bepalen hoe ze mogen bestaan. Dat begon langzaam door te sijpelen in mijn werk.
Bloemen worden vaak gebruikt als symbolen van vrouwelijkheid, kwetsbaarheid en breekbaarheid, en die eigenschappen worden vervolgens geprojecteerd op vrouwen. Toch worden bloemen niet alleen bewonderd om hun schoonheid. Ze zijn ongelooflijk veerkrachtig. Door de geschiedenis heen hebben ze zich voortdurend aangepast, standgehouden en overleefd ondanks de beperkingen die hun werden opgelegd. Ik geloof dat die kracht en kwetsbaarheid elkaar niet uitsluiten. Wij zijn geneigd schoonheid en fragiliteit aan elkaar te koppelen, maar ik denk dat vrouwen juist hun kracht tonen door die twee naast elkaar te laten bestaan. Voor mij biedt de bloem een manier om culturele tegenstellingen te onderzoeken. Ze draagt culturele ideeën over schoonheid, vrouwelijkheid en kwetsbaarheid in zich, maar ook over verzet, volharding en transformatie. In die zin wordt de bloem een manier om de complexiteit van vrouwen zichtbaar te maken en het idee dat veel waarheden tegelijkertijd in één persoon kunnen bestaan.

Onlangs waren jouw womenspreading-stoelen, zoals Boss Lady en Grand Lady te zien in het Centraal Museum in Utrecht. Het bleek een gewilde selfiespot. Toch is het niet gebruikelijk dat je kunst mag aanraken in een museum. Waarom vond je dat voor dit werk toch belangrijk?
Zonder vrouwen die zich ermee identificeren zou het werk simpelweg niet functioneren. In zekere zin gebruik ik meubels als medium om een groter verhaal te vertellen, maar ik hoop ook dat bezoekers er een deel van hun eigen leven in herkennen. Ik wil ruimte creëren waarin mensen zichzelf kunnen herkennen of die momenten voor anderen kunnen oproepen.
Voor jouw womenspreading-stoel liet je je inspireren door wat je zag in ‘The Tonight Show’ van Jimmy Fallon. Wat trok je aandacht?
Ik merkte dat de vrouwen zo min mogelijk ruimte innamen op de stoelen waarin ze zaten, terwijl de mannen alle beschikbare ruimte gebruikten. Het was een heel visuele demonstratie van hoe verschillend we leren om ruimte in te nemen en onszelf in de wereld te positioneren. Natuurlijk spelen daar allerlei factoren in mee, van kleding tot het feit dat mensen zich in de publieke ruimte bevinden, maar in essentie laat het zien hoe sociale verwachtingen ons gedrag vormen. Al van jongs af aan leren we hoeveel ruimte we mogen innemen, zowel letterlijk als figuurlijk. Die verwachtingen beïnvloeden hoe we zitten, bewegen en ons presenteren.
Hoe kwam je op het idee om een reeks chaise longues te maken?
Deze objecten ontstonden vanuit de historische associatie tussen chaise longues en de zogenaamde “flauwvalbanken” voor vrouwen. Zowel het fenomeen als de voorgestelde oplossing fascineerden me. Vrouwen vielen vaak flauw door beperkende korsetten en doordat ze niet eenvoudig naar het toilet konden gaan. In plaats van die onderliggende omstandigheden aan te pakken, ontwierp men meubels die de symptomen moesten opvangen. Die logica vond ik tegelijk absurd en veelzeggend.

Je werk wordt weleens omschreven als “meisjesachtige design". Hoe kijk je naar die term?
Ik ervaar die term als denigrerend. Meestal wordt hij niet gebruikt om het werk te waarderen of serieus te nemen, maar juist om het weg te zetten. We spreken tenslotte ook niet over ‘boyish design’. En persoonlijk geldt bovendien: ik ben een vrouw, geen meisje.
Met je werk moedig je vrouwen aan om letterlijk meer ruimte in te nemen. Van wat voor samenleving droom je?
Uiteindelijk draait het om zelfvertrouwen en het gevoel dat je het waard bent om ruimte in te nemen. Dat bedoel ik niet alleen voor vrouwen. Ik vind dat iedereen de vrijheid zou moeten hebben om ruimte in te nemen, ongeacht gender of seksualiteit. Het doel is niet om anderen te overheersen of kleiner te maken, maar om een samenleving te creëren waarin iedereen zich even gerechtigd voelt om aanwezig, zichtbaar en gehoord te zijn.
Werk je momenteel aan nieuwe projecten waar je nu al enthousiast over bent?
Ja. Ik bevind me momenteel zelf in een periode van verandering en mijn werk beweegt daarin mee. Nog steeds staan vrouwelijke narratieven en het vrouwelijke lichaam centraal, maar net zoals mijn eerdere werken voortkwamen uit persoonlijke ervaringen, ontstaan ook de nieuwe werken vanuit de veranderingen en ervaringen waar ik me nu doorheen beweeg.