Catharina Dhaen woont en werkt in Sint-Niklaas, waar ze een atelier deelt met haar vader. De afgelopen tien jaar timmerde ze hard aan de weg met gelaagde doeken waarin ze persoonlijke herinneringen verweeft met alledaagse observaties en vluchtige indrukken. In Dhaens werk wisselen figuratie en abstractie elkaar voortdurend af, waardoor het balanceert tussen het herkenbare en het ongrijpbare.
Het afgelopen jaar heeft Dhaen het rustiger aan gedaan. Ze liet zich inspireren door theater en literatuur, waardoor ze met een andere blik door haar archief ging. Al doende kwam ze werken tegen waar ze zich qua vorm niet meer in kon vinden, maar waarvan de inhoud bleef resoneren, en omgekeerd.
Die ervaring verwerkte Dhaen in werken die verwijzen naar de ouroboros, het eeuwenoude symbool van een slang die zijn staart opeet. We spraken Catharina Dhaen over haar atelier, haar intuïtieve werkwijze, en het belang van 'tussentijd' tijdens het schilderen.
Composities in F met werk van Catharina Dhaen en Tosja van Lieshout is dit weekend te zien bij de Yellow Gallery in Leiden. Het werk van Dhaen is daarna te zien op Art Rotterdam in de stand van Yellow Gallery.
Waar is je atelier en hoe ziet het atelier eruit?
Dat is best bijzonder, want ik deel een atelier met mijn vader. Het atelier bevindt zich in een uniek historisch gebouwtje, namelijk het koetshuis van de Salons voor Schone Kunsten. Het koetshuis staat in een ruime, open tuin met hoge bomen. Echt een kleine oase in het stadscentrum: je hoort er enkel de vogels en je bent er omringd met veel groen.
Ik ben er het liefst in de lente en zomer, omdat ik de warmere temperaturen nodig heb om te kunnen schilderen. Anders droogt de olieverf niet. Ik zie deze plek als een labo waar ik schilderijen kan confronteren met elkaar, waar ik afstand kan nemen, waar ik gigantisch groot kan schilderen als ik dat wil.
Ik ontvang er collectioneurs, curators, familie en vrienden die nieuwsgierig zijn naar wat we maken. Gedurende de winterkou trek ik me terug in een kamer bij mij thuis. Het formaat van m'n doeken en tekeningen past zich daar op aan: kleiner, intiemer, alsof je er de geborgenheid van mijn huis in voelt.

Veel schilders noemen natuurlijk licht als vereiste voor een goede atelierruimte, anderen weer voldoende opslag, weer anderen noemen de nabijheid van familie en vrienden of uitzicht op groen. Wat is absoluut noodzakelijk voor jou aan atelierruimte?
Wat je daar opnoemt klinkt als een droomatelier. Het licht en het thuisgevoel staan voor mij op een gedeelde eerste plaats. Ik kan in heel veel soorten licht schilderen en maak 's avonds vaak gebruik van een daglichtlamp. Maar ik zou het vreselijk vinden om mijn werk alléén maar onder artificiële lampen te kunnen zien, hoe goed dat imitatielicht dan wel mag zijn. Een atelier heeft ramen nodig, die laten lucht en licht binnen.
Men zegt vaak dat een schildersatelier best georiënteerd staat naar het noorden, en dat is zo, maar stiekem hou ik van dat veranderende licht uit andere windstreken, van die lichtvlekjes en schaduwen die de zon lustig in het atelier rondstrooit. Ik durf die tijdelijke passages zelfs vast te leggen in mijn werk. Het atelier is mijn thuis. Ondertussen ben ik tot de conclusie gekomen dat ik niet zo'n kunstenaar ben die 's morgens naar haar atelier vertrekt alsof het haar kantoorjob is. Leven en werk zijn nauw vervlochten bij mij, er is geen onderscheid meer tussen de twee.
In het atelier hecht ik veel waarde aan de 'tussentijd', hetgeen wat je als kunstenaar allemaal doet als je niét letterlijk de verf op een doek aan het borstelen bent. Ik wil in mijn atelier kunnen lezen, comfortabel zitten, reflecteren, tijd nemen, iets eten, discussiëren, rusten. Sommige mensen vergeten dat schilderen méér is dan enkel verf op een doek aanbrengen.
Al het andere, die 'tussentijd', is voor hen dan zogezegd niet écht werken. Dat klopt niet, zulke uitspraken worden gedreven door een productiviteitsfetisj. Ik heb daar een hekel aan: dat tijd altijd optimaal moet worden ingezet en dat iets enkel de moeite waard is als het zich sowieso omzet in een product, in het functionele en efficiënte. Ervaring en verbinding telt dan niet meer. Het verstikt de creativiteit waar de wereld eigenlijk naar snakt. Ik zou zelfs beweren dat aan het effectieve 'verf aanbrengen' procentueel niet de meeste tijd besteed wordt, al weet ik dat niet zeker omdat ik die tijd nog nooit gemeten heb. In ieder geval: ook twijfelen, afschrapen en opnieuw beginnen, in een museumcollectie duiken, boeken bestuderen, een concept onderzoeken, doeken prepareren, overleggen met peers en gewoonweg eens niets doen… Het maakt allemaal integraal deel uit van het ontstaansproces van mijn werk. De optelsom van al deze 'tussentijd' is essentieel om te kunnen maken, dus is het ook noodzakelijk dat mijn atelier zich hiervoor leent.
Stel, ik loop een dag stage bij je: hoe ziet zo'n dag eruit?
Meestal ben ik vroeg uit de veren, vaak nog voor de zon opkomt. Dit is voor mij het ideale moment om met een fris hoofd te schrijven of wat administratie weg te werken. Zodra het licht wordt, nestel ik mij in mijn atelier. Ik schilder tot ik naar de academie vertrek, waar ik met veel enthousiasme Schilderkunst en Tekenkunst doceer. 's Avonds voel ik aan wat ik nodig heb: even landen na de vele gesprekken en vraagstukken van die dag, of weer volop verder schilderen.
Het doceren geeft mijn week structuur, maar de rest van de week verloopt gevoelsmatig. Die tijd kan best strak georganiseerd zijn wanneer er een tentoonstelling of project aankomt, maar als het kan laat ik me liever leiden door ingevingen op het moment zelf. Misschien niet de ideale omstandigheden om een stagiair mee op sleeptouw te nemen, maar wel altijd verrassend en spannend.

Gefeliciteerd met Composities in F — een aantal werken dat daar te zien is heet ouroboros. Ik denk dat niet iedereen weet wat dat voor symbool is. Wat is het en waarom besloot je er een aantal werken aan te wijden?
De afgelopen tien jaar zat ik op een sneltrein. Projecten volgden elkaar in een hoog tempo op en ik heb heel wat tentoonstellingen gemaakt. Ik deed dit allemaal met enorm veel liefde en overtuiging en zou het zonder twijfelen opnieuw doen. Maar, ondertussen staat de wereld in brand, en ook in mijn persoonlijke wereld voltrokken zich natuurrampen. Het afgelopen jaar heb ik het bewust rustig aan gedaan en ging ik voorzichtig om met aanvragen en voorstellen. Ik hernam het schrijven en verdiepte me in theater en literatuur. Daardoor geïnspireerd dook ik met een andere blik in mijn archief. Daar besefte ik dat er veel schilderijen waren waar ik me vormelijk niet meer in kon vinden, maar dat de inhoud bleef resoneren, of vice versa.
In retrospectie zie ik beter de verbanden en het grotere weefsel waarin mijn werken zich tot elkaar verhouden. Ouroboros betekent: de eeuwige cyclus die zichzelf voedt. Je ziet dit symbool in bijna alle culturen, van de Azteken tot in de oude Griekse filosofie, vaak getoond als een mythische slang die zijn eigen staart opeet. Ik beeld ouroboros niet letterlijk af, maar het zit in mijn werkwijze. De oude werken hebben de nieuwe gevoed, en het is prachtig om uit deze ervaringen dicht bij mezelf te kunnen putten, net zoals men dat kan doen in theater en literatuur.
Ik las dat je veel autobiografische elementen in je werk stopt. Op twee werken uit die serie zien we het silhouet van een haan. Is dat een directe verwijzing naar je achternaam en dus naar jou als persoon of sla ik de plank dan mis?
De elementen of de iconografie die ik laat terugkeren, zijn autobiografisch in die zin dat ik ze waargenomen heb en om specifieke redenen heb besloten om ze een plaats te geven in mijn schilderijen. Ik bezoek bijvoorbeeld vaak archeologische musea. Van de duizenden eeuwenoude voorwerpen die daar verzameld werden, fascineert mij juist dat ene bijzondere dingetje. Ik voel me dan alsof ik een speld in een hooiberg gevonden heb!
Het haantje is exact zo'n vondst. Het is een oud-Grieks terracotta beeldje dat ik in Lyon zag en dat me onmiddellijk ontroerde. Zulke beelden overleven de tijd omdat ze zwaar symbolisch geladen zijn en daardoor tijdloos werden. Dat de haan geofferd werd aan Asklepios, de god van de geneeskunde, en dat het bovendien verwijst naar mijn achternaam, overtuigt me dan nog meer om er iets mee te doen. De florale motieven die in mijn nieuwste werken terugkeren, vind je dan weer in Knossos en zijn gebaseerd op meer dan drieduizend jaar oude Minoïsche fresco's van lelies en olijfbomen.

In je werk wissel je telkens abstractie en figuratie af; dat lijkt te wijzen op een intuïtieve manier van werken. Kan je iets vertellen over je werkwijze?
Ik werk niet naar een eindbeeld toe en weet dus nooit op voorhand hoe mijn schilderij eruit zal komen te zien. Die autobiografische elementen waarover we eerder spraken, kunnen hun weg vinden naar het doek in het begin, het midden of op het einde van het schilderen, en zich daarom bevinden op een spectrum van leesbaarheid, of een spectrum tussen abstractie en figuratie, zoals je wil.
Een schilderij is een levend wordingsproces, ik ben aan het componeren. Het twijfelen, vernietigen, herbeginnen en radicale keuzes maken zijn hier inherent deel van. Schilderen zal voor mij nooit het louter uitvoeren van een ontwerp zijn. Ik dwing mijn schilderij niet consequent één bepaalde kant op, want ik huiver van routine en eenheidsworst, dat vind ik zo ongelooflijk oninteressant. Mijn schilderijen mogen verschillende verschijningsvormen hebben, dat voelt voor mijn praktijk als het juiste om te doen. In die zin voel ik me verwant met Philippe Vandenberg: "in mij huizen zoveel schilders," zei hij. Dat voel ik ook zo.
In Leiden exposeer je samen met Tosja van Lieshout, kende je haar werk al en waarom besloot je in te stemmen?
Ik kende het werk van Tosja niet, maar de frisheid en de positieve inborst van de schilderijen sprak me aan. Ik leer er veel van om mijn werk in nieuwe contexten en confrontaties te zien, het is dan mijn nieuwsgierigheid die me drijft.
Stel, ik geef je carte blanche, is er dan een project dat je dan meteen van de plank pakt?
Dit is een vraag die me doet overlopen van de ideeën! Sowieso boeien plekken die bruisen van geschiedenis me. Een residentie op een historisch geladen plaats is absoluut mijn ding: me helemaal kunnen onderdompelen in de kleine en grote verhalen en specifieke eigenaardigheden van die locatie. Voor bijzondere of juist vreemde architectuur heb ik echt een boontje, ik wil dat dan tot op de bodem onderzoeken en mijn ontdekkingen verwerken in mijn schilderijen.
De uitdaging om mijn werk in dialoog te laten gaan met die karakteristieke ruimtes, houdt me scherp. Ook meer toegepaste projecten wakkeren iets in me aan. Ik denk bijvoorbeeld aan het omzetten van mijn beeldend werk in een ander medium, textiel of keramiek bijvoorbeeld. Dat kan, maar hoeft niet persé een uniek kunstwerk te worden. Ik heb er maar beperkte ervaring mee, maar het kriebelt en wie weet komt er ooit zo'n project op mijn pad.
Het meest concrete dat momenteel speelt, is dat ik graag opnieuw een boek zou willen maken. Een vrijplaats waar mijn teksten in gesprek gaan met mijn beelden. Je merkt het al, ik sta voor veel open. Ik zou zeggen: vraag het me gewoon en wie weet springen we samen op de boot.

Waar werk je op dit moment aan?
Mijn laatste reis naar Marokko inspireerde me heel erg. Ik ben nu wat ik daar gezien en ervaren heb, verder aan het onderzoeken. De geometrie in de architectuur daar boeit me mateloos, het is de representatie van het oneindig weefsel van het universum. Iets waar ik al eerder mee bezig ben geweest wanneer ik mijn reeks schilderijen maakte waar ik diagrammen van de ruimtetijd in verwerkte. Jullie zullen snel ontdekken of dit alles een leesbaar of minder leesbaar plekje in mijn werk veroverd heeft.