De weg naar haar studio slingert zich tussen velden die niets willen bewijzen. Geen romantisch decor, geen wolken die zich als barokke coulissen opdringen. Gewoon rust en ruimte. Het soort ruimte waarin gedachten trager worden en zinnen minder nadrukkelijk klinken.
Binnen ligt papier. Veel papier. Gestapeld, gevonden, bewaard. Sommige vellen dragen sporen van een vorig leven. Vouwen, verkleuringen, een lichte scheur die niet hersteld maar geïntegreerd werd in een werk. Andere lijken nauwelijks aangeraakt, alsof ze nog twijfelen of ze al dan niet kunst willen worden.
In de studio zitten we tegenover elkaar. Ilse Pierard. Naast haar Stephan Oomen, partner én curator. Het gesprek dat volgt, laat zich niet strak in vraag en antwoord dwingen. Het beweegt zoals haar werk beweegt: zoekend, aftastend, reducerend.
Aanleiding van dit interview is Paperworks, haar eerste solotentoonstelling bij Coppejans Gallery in Antwerpen. Een titel die zich niet verstopt achter metaforen. Geen programmatische belofte. Gewoon: werk op papier. Less is more.

Wie is Ilse Pierard, voor wie haar werk nog niet kent?
Ze glimlacht. “Dat blijft een moeilijke vraag. Ik ben kunstenaar. Maar dat is geen rechte lijn geweest. Ik studeerde af als Master Visual Arts aan Sint-Lukas Brussel. Daarna volgde een periode in de toegepaste grafiek en webdesign. Het vroege internet. Reclame. Conceptuele campagnes. Creatief, snel, efficiënt en … goed betaald.
“In mijn hart voelde ik wel dat er steeds een kunstkiem aanwezig bleef,” vertrouwt ze me toe. “Maar je groeit op met het idee dat je iets moet doen waar je je brood mee verdient. Dat kunst iets is voor later, of voor erbij.” Dat ‘later’ kwam er pas in 2016. “Toen voelde ik dat ik terug moest keren. Naar mijn essentie. Naar die innerlijke noodzaak. Naar wat mij drijft en waarom ik creëer. Ik wilde niet alleen beelden maken, maar ook iets betekenen. Gedurende twee, drie jaar ben ik op zoek gegaan naar een eigen beeldtaal. Getwijfeld. Weggegooid. Opnieuw begonnen.”
Tijdens het gesprek valt een zin die zich vastzet. “Papier is mijn reisgezel.”
Wat bedoel je daarmee?
“Mijn creëren is geen intellectueel proces,” zegt ze. “Ik probeer mijn denken uit te schakelen. Dat is de oefening. Ik wil in een andere tijdslaag komen. Een flow. Papier is daarin geen neutraal materiaal. Het draagt al iets in zich.” Ze werkt zelden met maagdelijk, perfect papier uit de winkel. Vaak zijn het gevonden vellen, dragers met een verleden.
“Het papier heeft misschien al ergens gehangen. Of iets ingepakt. Het heeft de tijd doorstaan. Ik vertrek dus niet van een leeg blad. Ik ga ermee in dialoog.”
Is papier dan onderwerp, of medium?
“Beide. Maar het is zeker geen onderlaag. Het ís het werk.” Waar papier in de kunstgeschiedenis vaak drager was - voorstudie, schets, iets voorlopigs - draait zij die hiërarchie om. Het papier is geen voorbereiding op iets groters. Het is het eindpunt.
Stephan: “Ilse behandelt het papier niet als iets dat beschermd moet worden, maar als een volwaardig materiaal. Het mag scheuren, buigen, reageren. Het werk oogt fragiel, maar het is net in die kwetsbaarheid dat de kracht zit.”

De cel als archetype
In de studio hangen ovale vormen tegen de muur. Geen perfecte cirkels. Geen mathematische helderheid. De vorm lijkt organisch, bijna biologisch.
Hoe ben je tot die vorm gekomen?
“Ik ben alles beginnen weglaten wat niet resoneerde,” zegt Ilse. “Alles wat te veel bedacht was. Alles wat ik kende.” “In het begin was er veel meer beweging. Rotatie. Complexiteit. Maar telkens kwam ik terug bij die ene vorm. De cel.” Ze noemt het bewust geen cirkel.
“Een cirkel is te perfect. Wat mij interesseert is de kleine rimpeling. De lichte onregelmatigheid. Daar zit leven.”
Stephan buigt zich naar voren: “Die dans tussen spanning en balans is essentieel. De vorm wil groeien, maar wordt begrensd door het kader. Dat spanningsveld maakt het werk actief. Er is geen behoefte aan spektakel, geen overbodige expressieve uitbarsting, maar een leegte als actieve ruimte. De cel wordt een veld waarbinnen het oog mag dwalen. Er wordt niets opgedrongen. De kracht zit niet in het gebaar, maar in de terughouding.”
Productie en vernietiging
Je produceert snel, hoor ik?
Ze lacht. “Soms maak ik drie of vier werken op een dag. Maar snelheid betekent niet dat alles blijft. De werken gaan in incubatie. Ze hangen hier. Dagen. Weken. Ik kijk en voel. Als het spanningsveld niet meer resoneert, dan breek ik het af.”
Dat klinkt meedogenloos.
“Misschien. Maar ik kan niets bewaren uit sentiment. Als het niet leeft, moet het weg.”
Stephan knikt. “We testen het werk. Blijft het trouw aan zijn eigen aard? Wat blijft, moet zichzelf blijven dragen.”
Die houding vertaalt zich ook in Paperworks. Wat in de galerie hangt, is niet het resultaat van een lineaire productie, maar van een zorgvuldige en precieze selectie. Wat u daar ziet, heeft een proces van ontstaan én vernietiging doorstaan.

Coppejans: ruimte voor reductie
De stap naar Coppejans Gallery was geen toeval.
“Twee keer werd ik uitgenodigd door Helma Vlemmings, curator en oprichter van ICOON,” vertelt Ilse. “Zij werd een soort mentor. We hebben samen gekeken: wat is voor mij een goede galerie? Ik heb een lijst gemaakt. Coppejans stond daarop.”
Waarom?
“Omdat ik voelde dat daar ruimte is. Geen spektakel. Geen overdaad. Vertrouwen. En omdat mijn werk vanuit onderzoek groeit. Dat zit in het DNA van deze galerie.”
In Antwerpen krijgt Paperworks een sobere, bijna contemplatieve opstelling. Geen verklarende teksten die het werk in een theoretisch kader duwen. Geen grote statements op de muur.
Waarom die functionele titel?
“Paperworks zegt gewoon wat het is. Werk op papier. Ik wil het werk eerst laten bestaan, vóór het iets moet betekenen. De werken dragen geen titels. Alleen een datum. Dat is belangrijk. Ik wil geen narratief opleggen. Geen richting. Alleen tijd.”
Wat verwacht je van de bezoeker?
Ze antwoordt zonder aarzeling: “Stop. Kijk en luister. Wees aanwezig.” Dat klinkt eenvoudig, maar in een tijd waarin beelden maar enkele seconden aandacht krijgen, is het bijna radicaal.
“Misschien brengt een werk je dichter bij jezelf,” zegt ze. “Misschien ook niet. Maar het vraagt om vertraging.”
Ik begrijp wat ze wil zeggen. In de studio wordt dat voelbaar. De ovale vormen lijken te ademen. Het papier, gelaagd en soms licht opgeheven van de achtergrond, creëert een schaduw die mee beweegt met het licht. Er is geen spektakel. Alleen concentratie. Aan het einde van ons gesprek keer ik terug naar de kern.
Wat blijft er over als je alles weglaat?
Ze kijkt even naar een werk dat tegen de muur hangt. “Essentie,” zegt ze zacht. “Dat is mijn hele onderzoek. Alles verwijderen wat niet nodig is. Tot alleen dat overblijft wat spreekt.”
Buiten schuift het licht over de velden. Binnen hangen de cellen: begrensd en tegelijk ook open. Fragiel, maar niet zwak. Elk werk een momentopname van een ontmoeting tussen hand en materiaal.
In Coppejans Gallery krijgen ze ruimte om te ademen. Geen heroïek. Geen monumentale ambitie. Alleen papier dat weigert drager te zijn van iets anders. Papier als reisgezel. Papier als geheugen. Papier als oefening in reductie.
Misschien is dat wat Paperworks uiteindelijk doet: het herinnert ons eraan dat kunst niet altijd moet uitbreiden. Soms moet ze inkrimpen. Tot ze precies groot genoeg is om aanwezig te zijn.
