Make Painting Great Again heet de lopende tentoonstelling van Jan Wattjes bij Livingstone. De titel is een plaagstootje met een serieuze ondertoon. Soms wordt de schilderkunst afgeschreven, omdat ze geen eenvoudige zekerheden biedt en niet om aandacht schreeuwt. Voor Wattjes gaat Make Painting Great Again dan ook over aandacht, twijfel en scherpte.
Over de jaren schilderde Wattjes veel aan schilderkunst gerelateerde plekken als ateliers en galeries. Hij kan een schilderij niet los zien van de plek waar het is ontstaan. Een atelier is voor Wattjes dan ook een ‘mentale toestand’.
Zelf heeft hij om de week een atelier aan huis. Hij wordt al moe bij de gedachte aan een groot atelier, zoals zijn vader dat had. Voor hem moet een werkplek groot genoeg zijn om vrij te experimenteren, maar ook hanteerbaar blijven. ‘Schilderen neemt letterlijk ruimte in en het is zwaar. Het is helemaal niet zo romantisch als het van buiten lijkt. In die tijdelijkheid voel ik de vrijheid.’
Make Painting Great Again is tot en met 28 februari te zien bij Galerie Livingstone in Den Haag.
Waar is je atelier en kan je beschrijven hoe het eruit ziet?
Mijn atelier is momenteel aan huis. De ene week is mijn huis een woning, de andere week een atelier, wat samenhangt met mijn co-ouderschap. Die wisseling ervaar ik niet als een beperking, maar als iets dat mijn manier van kijken beïnvloedt. Doordat de ruimte steeds verandert, ervaar ik mijn werk telkens opnieuw en ontstaan er andere invalshoeken.
Ik werk in stilte, zonder muziek of geluid. Muziek vraagt mijn volledige aandacht en laat geen ruimte om tegelijk te schilderen. Thuis werken vraagt om andere keuzes dan een afgesloten atelier: ik werk met materialen die zich laten verplaatsen en weer opruimen. Het atelier is daardoor geen vaste plek, maar een tijdelijke toestand waarin werken en leven samenkomen.
Naast mijn werk aan huis maak ik via mijn galerie Livingstone Gallery regelmatig gebruik van een artist in residence in Berlijn, Livingstone Project Berlin. Sinds 2014 werk ik daar met enige regelmaat — soms enkele weken, soms een paar maanden. Die contextwisseling geeft me de mogelijkheid om me volledig te focussen en levert vaak nieuwe invalshoeken op. De stad ademt kunst en beïnvloedt hoe ik kijk en werk.
Tegelijkertijd is het een verademing om te ervaren wat daar als vanzelfsprekend wordt gezien: een vrouw met in de ene hand een kinderwagen en in de andere een biertje roept er nauwelijks reacties op. Die minder truttige houding — al is die ook aan het veranderen — geeft me ruimte en scherpt mijn blik.

Ik droom soms van een grote loods, zo’n ruimte waarin alles kan, bijna grenzeloos, zoals in de film Synecdoche, New York. Maar tegelijk voel ik me erdoor overweldigd. Het schrikt mij ook af om te werken als ik Anselm Kiefer door zijn Atelier heen zie fietsen en met megalomane projecten bezig zie.
Mijn vader had hier in Den Haag een groot oud pakhuis, zijn atelier, vol spullen en materialen. Hij bouwde zijn eigen vrijheid, maar zat er tegelijkertijd ook aan vast. Alleen al het nadenken over zo’n ruimte maakt me moedeloos.
Soms droom ik dat ik in een doolhof van bakstenen muren en donkere kamers beland, met ratten… angstaanjagend, verwijzend naar het atelier van mijn vader. Voor mij moet een werkplek groot genoeg zijn om vrij te experimenteren, maar ook hanteerbaar blijven. Schilderen neemt letterlijk ruimte in en het is zwaar; helemaal niet zo romantisch als het van buiten lijkt. In die tijdelijkheid voel ik de vrijheid.

Vaak staan in je werk plekken en concepten centraal die direct verwant zijn aan de schilderkunst. Het atelier is ook een onderwerp geweest. Kan je uitleggen waarom je bij die plekken en concepten uitkomt?
In mijn werk keer ik vaak terug naar plekken die direct met schilderkunst verbonden zijn, omdat schilderen voor mij niet losstaat van de ruimte waarin het ontstaat. Het atelier is voor mij geen neutrale werkplek, maar ook een mentale toestand. Tot mijn tweede levensjaar heb ik in het atelier van mijn vader gewoond; een vrijplaats waar schilderen samenviel met leven — er werd een film opgenomen, balletoefeningen gedaan en zelfs een kickbokswedstrijd gehouden. Die ervaring werkt door in hoe ik werk: het atelier kan overal zijn, een werk is er eigenlijk al voordat het een fysieke plek inneemt. Dat is voor mij ‘de mentale studio’.
Je huidige tentoonstelling bij Livingstone heet Make Painting Great Again, een knipoog naar de leuze van de huidige Amerikaanse president. Waarom moet painting weer great worden gemaakt? Schort er iets aan de waardering voor het medium?
De titel is ironisch, maar ook serieus. Schilderkunst wordt steeds opnieuw bevraagd, en dat maakt haar scherpzinnig. Tijdens een recente opening viel me op hoe gesprekken vaak verlopen: mannen nemen het woord, vrouwen luisteren en stellen vragen. Ik denk dat vrouwen op dezelfde manier vaak een positie van observatie en zelfkritiek aannemen als schilderkunst doet: aftastend, reflecterend, soms vervreemd.
Misschien wordt schilderkunst daarom soms afgeschreven — niet omdat het zwak is, maar omdat het geen makkelijke zekerheden biedt, schreeuwt niet om aandacht en het is stil. Voor mij gaat Make Painting Great Again over aandacht, twijfel en scherpte.

Ook deze show gaat over het medium schilderkunst; anders vorige keren zien we geen fysieke plekken zoals galeries en ateliers, maar woorden. Een werk als Formation zien we de namen van bekende schilders. De namen van Zurier en Monet zijn doorgestreept. Onderaan staat in blauw 4-3-3, de klassieke opstelling in het Nederlands voetbal. Is het jouw basiself?
Formation laat een opstelling van schilders zien die mij op dat moment boeien, om welke reden dan ook. Het is een momentopname, vluchtig en schetsmatig, alsof ik op een kladje mijn ingeving noteer, met hier en daar een kleine verandering.
Waarom wisselde je Zurier voor Malevich en Monet voor Munch?
De doorgestreepte namen, zoals Monet, zijn niet bedoeld alsof ik ze minder waardeer; het geeft slechts aan waar mijn interesse op dat moment ligt. Eigenlijk zou ik ieder doek zo willen aanpakken: als een kladje, een experiment dat voortdurend in beweging is. Monet blijft bijzonder voor mij; hij gaf me toegang tot de schilderkunst en hier begon het voor mij mee.
Het idee van de ‘basiself’, de 4-3-3 formatie, verwijst naar het totaalvoetbal van de Hollandse school en laat zien waar ik mee opgegroeid ben en waar ik vandaan kom — het gaat niet om trots, maar om mijn wortels, een tijdelijke selectie van referenties, net zoals mijn momentopname van schilders in Formation.
Nog even over de woorden en korte zinnetjes als Ask Me die te lezen zijn op een aantal werken. In het persbericht staat een citaat van jou: ‘In deze serie schilderijen wordt taal een beeld. Letters, woorden en lijnen bewegen vrij door het schildervlak — niet om gelezen te worden, maar om gezien te worden.’ Kan je daar iets meer over vertellen?
In deze serie gaat het me erom dat taal een visueel element wordt. Letters, woorden en lijnen bewegen vrij over het schildervlak; ze zijn niet bedoeld om gelezen te worden, maar om gezien en ervaren te worden.
Het idee kreeg voor mij extra betekenis door mijn zoontje, die een meervoudige beperking heeft en zeer beperkt verbaal communiceert, ook met gebaren. Dat heeft mij echt laten zien wat taal is en wat taal kan zijn. Wij hebben samen onze eigen manier van communiceren ontwikkeld, en dat inspireert hoe ik met letters en woorden werk: als vormen, ritmes en lijnen die een eigen logica en aanwezigheid hebben, los van traditionele leesbaarheid.

Iets anders: bij kunstenaars met een conceptuele insteek ben ik altijd benieuwd naar projecten die nog niet van de grond zijn gekomen. Laten we groot dromen: stel ik heb een ruimte beschikbaar en ik geef je carte blanche, welk project zou je dan willen uitvoeren?
Tijdens het werken aan de serie White Cube-schilderijen (2015-2018) liep het project enorm uit de hand. Ik maakte schilderij van 360x600 cm, het toont een deel van de gevel van David Zwirner Gallery (20th Street, NYC) met een schaal van 1-op-1. Ik had altijd de ambitie om meerdere van dit soort monumentale doeken te maken, als voorbereiding op museale tentoonstellingen. Die tentoonstellingen zijn er nog niet gekomen, al stonden er dit jaar twee gepland. Het idee is installatie-achtig: een wereld van enorme, tactiele schilderijen. Als ik carte blanche zou krijgen, zou ik dit project graag realiseren.

Waar ben je op dit moment mee bezig?
Na een opening van een tentoonstelling ervaar ik vaak een leegte. Dat heeft minder te maken met het voorbereiden van een tentoonstelling — zo werk ik niet; ik maak werk en op een gegeven moment is er een tentoonstelling. De leegte ontstaat eerder doordat ik me na zo’n moment naakt of bekeken voel; daar gaat veel energie naartoe. Door de jaren heen ben ik dat patroon gaan herkennen en probeer ik het te accepteren.
In die fase wijk ik vaak uit naar een ander medium. Vorig jaar ben ik met klei gaan werken en heb ik in Berlijn, bij Livingstone Project Berlin, onderzocht hoe het sculpturale zich tot schilderkunst kan verhouden. Ik werkte met klei zoals ik schilder. Enkele van die werken zijn te zien in Make Painting Great Again. Momenteel experimenteer ik met AI, zonder specifieke verwachtingen. Het is een vorm van spelen; soms neem ik daar iets uit mee terug in het schilderen, soms ook niet.