Shoobil stelt in de tentoonstelling Daytripper vier kunstenaars voor die ieder op hun eigen manier door beelden, herinneringen en betekenissen reizen. Wat betekent het om onderweg te zijn zonder bestemming? Een dagjesmens, een dwaler, een flaneur van tijdelijke indrukken. Deze tekst volgt het spoor van hun werk. Zoekend, zwervend, luisterend.
Er hangt een bontjas op een bloedrode achtergrond. Hij is weelderig, retro en onheilspellend stil opgesloten in een kader. Geen paspop, geen lichaam. Alleen de rug, als een portret van achteren, waarin het gezicht zich onttrekt aan de blik van de toeschouwer. Dit is een van de werken van Frank JMA Castelyns in de expo Daytripper, de groepstentoonstelling bij Shoobil die vier kunstenaars samenbrengt rond het idee van omzwerving en tijdelijke ontmoetingen. De bezoeker als passant, de maker als reiziger, het beeld als tussenhalte.
Castelyns' jas draagt op de rug een goudkleurig symbool dat tegelijk een dollarteken en hamer en sikkel verbindt, alsof het communistisch ideaal door een reclamebureau werd heruitgevonden. De goudkleur glanst, prikkelt en ondermijnt tegelijkertijd. Deze jas is meer dan een kledingstuk: hij is een icoon van ideologie die zijn lichaam heeft verloren. Hij herinnert aan de esthetiek van het protest, maar is ingelijst als een luxeartikel. Kapitalisme als camouflage.
De drager is weg, en dat is essentieel. Wat rest is een spoor, een huid zonder herinnering. Of juist: een herinnering zonder huid. Castelyns laat zo ruimte voor de melancholie van de verdwijning, een thematiek die doorheen de hele tentoonstelling nazindert. Wat gebeurt er met een idee wanneer het enkel nog als beeld bestaat?
Kijken als jazz: ritme, ruis en restgeluid
In die zin vormt het werk van Bart Vandevijvere het polyfone tegengewicht. In zijn schilderijen voel je de zwerftocht zonder bestemming. Geen statisch verhaal, maar een ritmische sequentie waarin elke compositie op de vorige reageert, als echo's in een vrije jazzimprovisatie. Vormen worden herhaald, gebroken, opnieuw opgebouwd. Kleuren schuiven als akkoorden tegen elkaar aan, zoekend naar frictie en resonantie.
Bij Vandevijvere is elk schilderij een tussenstation. Je ziet het gebaar en de aarzeling. Hier schildert iemand die de twijfel niet wil verbergen, maar hem inzet als kracht. De schilderijen lijken soms grafisch -psychedelisch zelfs - met een vleugje Kandinsky. Achter die spontane penseelvoering schuilt echter een gevoeligheid die doet denken aan de stilte tussen twee tonen. De ruimte tussen wat was en wat komt.
Fluisterbeelden en verdwijnwoorden
In de meer conceptueel geladen praktijk van Catharina Hell wordt verdwalen bijna letterlijk genomen. Haar werk is een spel van betekenis, herhaling en hapering. Taal die zichzelf ondergraaft, woorden en beelden die langzaam oplossen. Ze werkt met wat afwezig is, onzichtbaar, verzwegen. Je merkt dat bij haar de mislukking van communicatie niet het probleem is, maar net de basis van een ironiserende poëtica.
Een scherp voorbeeld van deze ironische, meanderende houding is te vinden in het werk Piëta, waar de woorden “Against all authority except my mom” oplichten in strak neonlicht. De titel roept onvermijdelijk de christelijke beeldtraditie op, met Maria die het lichaam van haar gestorven zoon op schoot houdt. Het symbool van overgave, troost en menselijke tragiek. Maar hier wordt dat klassieke pathos omgebogen door een bijna punkachtige spreuk, rebels en teder tegelijk. De ‘autoriteit’ wordt verworpen, behalve die éne figuur die niet berust op macht maar op intimiteit: de moeder. In de context van Daytripper is deze combinatie betekenisvol. Ze belicht de ambigue positie van de kunstenaar als iemand die zich onttrekt aan systemen, conventies en macht, maar toch zoekt naar een ankerpunt. De dagjesmens uit het Beatlesnummer herkent zich misschien in deze paradoxale houding: ironisch én gevoelig, afwijzend én verbonden, onderweg naar nergens, maar niet zonder verleden.
En dan is er Elvis Borrey
Zijn werk beweegt zich in het schemergebied tussen documentaire en fictie. Hij gebruikt fotografie, video en geluid als middelen om herinnering tastbaar te maken en tegelijk te ontmaskeren. Zijn thematieken zijn persoonlijk en universeel tegelijk: migratie, identiteit, collectief geheugen. Zijn werk voelt als een archief van wat niet werd vastgelegd. Als een poging om dat wat dreigt vergeten te worden, alsnog een vorm te geven.
Borrey’s beelden hebben iets zacht melancholisch: ze confronteren ons met het feit dat herinnering altijd geconstrueerd is. Zijn geluiden klinken als stemmen van elders. Je hoort het schuiven van koffers, het ruisen van een oude opname, het fluisteren van iemand die zijn verhaal kwijt wil maar de taal niet vindt. Hij neemt ons mee op een reis door het geheugen van anderen, en laat ons achter met de vraag wat onze eigen rol daarin is.
Geen manifest maar een uitnodiging
She was a daytripper. A Sunday driver, yeah... De stem van John Lennon klinkt nog na, en precies die half-serieuze toon, die speelse melancholie, klinkt na in deze tentoonstelling. In Daytripper wandelen we tussen werken die ons telkens net op het verkeerde been zetten: tussen ironie en ernst, tussen herinnering en misverstand, tussen beweging en stilstand.
Castelyns toont een lichaam dat ontbreekt. Vandevijvere componeert zonder partituur. Hell laat taal oplossen in zichzelf. Borrey monteert het geheugen als een fragiele spiegel. Elk van hen is op zijn of haar manier een daytripper: iemand die niet blijft, maar intens aanwezig is in de tijdelijkheid van het moment.