In het atelier van Bart Vandevijvere zit alles onder de verf. Het resultaat van ruim 20 jaar schildersonderzoek. Voor hem is het vooral een plek om tobben, tijd te morsen en dingen laten te mislukken: ‘vaak de poort naar de ontdekking’. Ieder werk gaat Vandevijvere zonder vooropgezet plan op zoek naar het kantelpunt tussen abstractie en geometrische patronen. Zijn werken slingeren heen en weer tussen twee uitersten: tussen orde en chaos, verleiding en afstoting, tussen traagheid en hectiek en tussen komen en gaan. Leven en dood. In de zomertentoonstelling Summer Vibes bij Sofie Van den Bussche toont hij onder andere een ouder werk: “Ik zie mijn ontwikkeling niet als puur lineair. Integendeel, ze slingert zich traag voort, er zitten lussen in.”
Waar is je atelier en hoe ziet het eruit?
Mijn atelier bevindt zich in Marke, aan de rand van Kortrijk. Het atelier bevindt zich op zolder, onder de nok van het dak. De grondoppervlakte bestrijkt bij benadering vier bij twaalf meter.
Aan beide zijden van het dak zijn grote dakramen ingewerkt. Ze kijken uit op de hemel en bieden naast weidsheid ook mentale ruimte.
In de uiterste hoeken staan tientallen schilderijen gestockeerd, centraal staan onaffe doeken uitgestald, wachtend op de volgende ingreep of beoordeling. Op de achtergrond speelt muziek.
Voor jou is het atelier dus niet zomaar een werkplek, neem ik aan?
Een atelier is veel meer dan een functionele, eendimensionale werkruimte. Het is een plek waar werk en leven verstrengelen. Er is bezoek mogelijk, er kan van gedachten gewisseld worden, ik kan er bezinnen en me verliezen in overpeinzingen en rêverieën. Bovenal staat deze omgeving me toe om ook te tobben en tijd te verliezen. Mijn atelier vertraagt de tijd. Hier kan ik me veroorloven om te mislukken, vaak de poort naar de ontdekking. In een puur functionele werkomgeving is dat geen optie.
Waar moet een goed atelier voor jou aan voldoen: natuurlijk licht, een ruim atelier, veel groen in de omgeving of collega’s in de buurt?
In se maakt het niet zoveel uit of een atelier groot of klein is, al zal dit wel de aard en de dimensies van het werk beïnvloeden. De discipline van een kunstenaar heeft uiteraard ook invloed op de grootte en toegankelijkheid van het atelier. Er zijn zoveel types ateliers als er kunstenaars zijn. Voor de schilder in mij is natuurlijk licht een essentiële factor. Het is dé voorwaarde om naar behoren te kunnen werken.
Je werk is op dit moment te zien bij Sofie Van den Bussche in de tentoonstelling Summer Vibes. Om welk werk gaat het, zou je daar iets kunnen over vertellen?
Op de tentoonstelling ‘Summer Vibes’ toon ik twee schilderijen. Het opvallendste is ‘Lost in Conversation’, een groot doek uit 2014. Het wordt geflankeerd door een klein doekje, ‘Wedge’, dat ik in deze context als een appendix beschouw.
‘Lost in Conversation’ toon ik opnieuw omdat het een helder werk is. Een ouder werk opnieuw tonen wijst op het feit dat ik mezelf weer tegenkom. Mijn ontwikkeling zie ik niet als puur lineair. Integendeel, ze slingert zich traag voort, er zitten lussen in waarbij ik opnieuw geconfronteerd wordt met eerdere schilderkunstige ontdekkingen.
Het grote veld toont het residu van een gestuele strijkbeweging. Het zijn de resten na het wegwassen van de vorige verflaag. Daardoor krijgt het vanop een afstand iets grafisch. Het had evengoed een linosnede kunnen zijn. Een groen vlak lijkt rond te dobberen in dat veld maar het duikt wel degelijk op uit de achtergrond. Het is een doorkijk die een tip van de ontstaansgeschiedenis blootlegt.
Beide werken hebben metaforische titels. Is dat iets wat je standaard doet?
De titel is geen letterlijke indicatie. Titels zijn dat nooit bij mij. Ik vind ze wel van belang om een werk te identificeren en tegelijk sleutels mee te geven aan de toeschouwer. Ze zeggen iets over mijn kunstenaarsattitude, over de praktijk, het proces en wat me wakker houdt. Bij dit schilderij raak ik het fenomeen van de conversatie, de dialoog die essentieel is voor een kunstwerk. Zonder kijker is er geen dialoog. Zonder recipiënt verliezen de producent en het kunstwerk aan relevantie.
Terzelfdertijd vermijd ik dat mijn titels de kijker vastzetten en zijn of haar verbeelding in de kiem smoren. Het blijft abstract werk dat appelleert aan de verbeelding maar bovenal het ‘zien’ uitdaagt, voorbij het geconditioneerde kijken.
Je maakt abstracte composities, vaak maak je gebruik van meerdere technieken – cleane afgetapete vlakken worden afgewisseld met rasterpatronen en op het oog wilde penseelstreken – waardoor je als kijker soms denkt naar een collage te kijken. Kan je vertellen hoe je tot deze beeldtaal kwam?
Ik ben in het begin van mijn loopbaan vrij snel in de abstractie terechtgekomen. Het was voor mij een soort kern van de zaak. Het integreren van uitgesproken geometrische patronen vond zijn oorsprong in de nood aan ankerpunten binnen de compositie. Die geo-vormen ontleend aan het constructivisme, suprematisme en de architectuur staan voor ordening en structuur. Tegelijk gaan die met elkaar in de clinch of komen ze tot een verzoening met vrije lyrisch-abstracte en expressionistische verfpartijen.
Dit soort interacties zorgt voor een noodzakelijke spanning die het totaalbeeld levendig houdt. Het is net dat kantelpunt dat ik zo vaak opzoek: het punt waar de balans tussen twee antipoden net niet overhelt. Het heen en weer slingeren tussen twee uitersten manifesteert zich trouwens op verschillende niveaus in mijn oeuvre. Dan heb ik het over orde versus chaos en verleiding versus afstoting maar ik denk ook aan de wisselwerking tussen traagheid en hectiek. Het doet me denken aan de natuurlijke cyclus van komen en gaan, van leven en dood.
Net zoals mijn hele oeuvre zich procesmatig ontwikkelt, groeit elk afzonderlijk schilderij procesmatig en organisch. Telkens weer begin ik ‘from scratch’, zonder uitgestippeld plan, schets of voorstudie. Ik heb hoogstens een vage bestemming in gedachten, waar ik bovendien zelden op uitkom. Maar er is vooral die noodzaak en drift, én de rugzak die ik meedraag, volgestouwd met de erfenis van de schilderkunst en de kennis en ervaring die ik op mijn decennialange traject opdeed.
In veel teksten over je werk komt muziek ter sprake; vaak een citaat van de 20e-eeuwse Amerikaanse componist Morton Feldman. De titels van je werken verwijzen ook regelmatig naar jazz. Wat is de rol van muziek in je werk?
Muziek zie ik als een bondgenoot op mijn route, op weg naar de plot. Maar voor alle duidelijkheid, ik maak geen transposities van muziek. Dat lijkt me één-op-één. Ik pas geen eigengemaakt systeem toe om klanken om te zetten in kleuren. Evenmin heeft deze relatie iets te maken met synesthesie, het neurologische verschijnsel waarbij specifiek kleuren gehoord en omgekeerd, klanken gezien worden.
Het gaat voor mij over de parallellen tussen de schildersattitude en de ingesteldheid van de muzikant en/of componist. Het gaat over de modus operandi. Muziek is een in wezen abstract medium en daar vind ik een analogie met mijn werk. Het beluisteren van nauwkeurig uitgekozen muziek tijdens het werk kan me erg inspireren en stuwt me voort.
Ik laat me graag vergezellen door o.a. jazz en improvisatie: muziek waarin intuïtieve intelligentie, vrijheid en associatief denken en doen een behoorlijke rol krijgen toebedeeld.
Maar ik stuit ook op de vele verschillen tussen deze twee disciplines. Om maar het meest vanzelfsprekende verschil op te noemen: muziek is vluchtig, een schilderij is gestolde tijd.
Welke kunstenaars reken je tot je inspiratiebronnen?
De schilderkunst in haar volle rijkdom inspireert me. Ik kan van mijn sokken geblazen worden door Rembrandt evenals door Brusselmans, om er maar twee uit de grote vijver van de kunstgeschiedenis te vissen. Waar de abstractie haar intrede doet, denk ik aan Kazimir Malevitsj, Marc Rothko, Brice Marden, Gerhard Richter, Christopher Wool, en dichter bij huis Raoul De Keyser, Marthe Wéry…
Stel je bent op een feestje en raakt aan de praat met iemand die niets van kunst weet. Hoe leg je je werk dan uit?
Dit is zowaar een moeilijke opgave. Het is een grote sprong van het narratieve naar de abstractie. Vaak zet ik dan de muziek in. Dan ontdoe ik haar van haar lyrics en snijd ik alle eenvoudige parameters aan: toon, timbre, ritmiek, emotie, spanningsboog. Het zijn eigenschappen die met een beetje verbeelding en wat goeie wil kunnen omgeturnd worden tot de parameters van een schilderij: materie, kleur, tonaliteit, licht, compositie etc.
Waar ben je op dit moment mee bezig?
Op dit moment bereid ik enkele presentaties voor. Dat zijn de tentoonstelling ‘Run Paint Run Run’ in Ruimte 4N2O in Kortrijk, samen met schilders Wannes Lecompte en Joachim Devillé en trompettist Bart Maris, en de expositie ‘Tussen de regels’ bij TaleArt Gallery in Vlierzele, samen met Jean De Groote, Bert Drieghe, Inge Decuypere en Mohammed Alani.