‘Jongens, jongens, jongens waarom zorgt er niemand voor die Sheela na Gig’s’, roept Emmeline de Mooij, terwijl ze voor een overwoekerde ruïne van een kasteel in Ierland staat. Het is eigenlijk geen echte vraag; het is een confrontatie, een bevestiging, van iets dat ze eigenlijk al wist: de belichaming van de eeuwenlange onzichtbaarheid van vrouwelijke seksualiteit.
In haar film, GoPro HERO (2026) - een knipoog naar de populaire masculine outdoor adventure camera -, neemt De Mooij ons mee op haar zoektocht naar het schemergebied tussen leven en dood. Terwijl ze over hekken klimt, komen we via womb tombs, bekentenissen van twintigjarige mannen in dating-app chats en lust uit bij het symbool van die overgang: de Sheela na Gig. Uit steen gehakte, middeleeuwse, mythische figuren van uitgemergelde, oude vrouwen met kale hoofden en uitstekende ribben. Het meest prominent zijn de twee handen die haar vulva openspreiden - groots en met anatomische precisie. Een lichaam dat zichzelf opeist, dat weigert zich te schamen. Niemand weet precies wat ze betekenen. Vruchtbaarheid? Waarschuwingen? Regeneratie of genot? Waar komt die angst voor de onvruchtbare vrouw, voor de menopauze toch vandaan, vraagt De Mooij zich af. Lachend kijkt ze in de camera terwijl ze haar vulva toont. Openspreidt. De vulva als bezwering en wapen.
De Franse schrijver Hélène Cixous schrijft in het klassieke manifest ‘De lach van de Medusa’ (1975) dat lachen een instrument van bevrijding is, van kracht. Omdat het wild en ongeremd is, en daarmee de strakke, dwingende structuren van patriarchale overheersing tijdelijk uitschakelen. Maken, schrijven, moet uit het lichaam voortkomen betoogt Cixous. Omdat plezier, seks, humor de ultieme subversie van orde en controle zijn. HELL HOLLE is de belichaming van die doorbreking. Niet een breuk met haar eerdere werk rondom de dood, zorg en moederschap,
maar een verdieping van De Mooij's praktijk in een radicale richting. Ze breidt haar vocabulaire uit met belichaamde seksualiteit en begeerte, thema’s die eerder impliciet aanwezig waren.
Aan de muur hangt een trui waar met grote zwarte letters de woorden HELL en HOLLE op staan, de titel van het werk. Maandenlang werkte De Mooij eraan, koos de zachtste niet-prikkende wol van Franse schapen, spon draad voor draad de wol, breide pen voor pen. Een verwijzing naar de namen uit de talloze voorchristelijke tradities en mythes waarin oude vrouwen niet marginaal waren, maar machtig. Zoals in Apron of the Giantess (2026) een meterslang textielwerk, een schort voor iets reusachtigs. De overlappende stukken textiel, de rafelige onderkanten lijken op een patchwork van landschappen. Misschien paste de Ierse Cailleach het wel, die met stenen in haar schort van heuvel naar heuvel sprong om womb tombs te maken. Of voor Holle die de levensdraad spon en daardoor tussen de werelden van leven en dood kon bewegen.
De taal van De Mooij is associatief, een poëtische belichaming van textiel. De stoffen en kleding die ze gebruikt zijn vaak gevonden, overgebleven van haar kinderen. Kijk goed naar de gestopte sokken, naar de steken op een matras van quilt uit de serie The Guest Mattress (2022). Let op lijkt De Mooij te zeggen: het geduld waarmee je wol spint, een sok repareert, een mouw breit, de stof steekje voor steekje vastzet, is hetzelfde repetitieve monnikenwerk als het zorgen voor iemand die je voortgebracht hebt. Omdat die oneindige herhalingen, het handwerk, uiteindelijk de kern van zorg zijn: erkennen dat iets aandacht nodig heeft om verder te kunnen bestaan. De Mooij verzet zich tegen het verdwijnen, het onzichtbaar worden, de ode aan de seksualiteit wordt belichaamt in de Sheela na Gig. Een lichaam dat zichzelf opeist en viert. Openspreidt, bevrijdt van het spektakel van reproductiviteit.
Mirthe Berentsen, februari 2026