Tussen rots en water vinden we het ding dat vult, het ding dat lekt. Het is gemaakt van klei van de rivieroever. Ritmisch is het opgebouwd, laag na laag; deze rand die scheidt en dus bewaart, die verzamelt en draagt. Een snede die de leegte die erin zit baart en omarmt, maar niet volledig: er blijft een opening over, een kleine schijf lucht die binnen en buiten met elkaar verbindt, waardoor het ene in het andere kan overvloeien.
Met het verstrijken van de tijd verdampt het water uit zijn poriën en van soepel en zacht wordt het broos en stijf. Heel voorzichtig wordt het in een kuil in de aarde neergelaten, omringd door vele anderen en bedekt met hooi en dunne takken. Vlammen likken aan de lucht en verhitten de schil totdat ze dampt; ze verhitten haar totdat ze bakt, verhitten haar totdat ze gloeit en verhitten haar totdat ze smelt. De aarde beeft. Ze stuwt naar boven, uit de as, uit deze helse ketel. Ze schiet de hemel in om dan in een boog naar beneden te vallen als een onstuimige stroom die langs de zwarte rotshelling naar beneden raast. Ze beukt op de berghellingen. Ze kerft ravijnen en rond stenen. Als de helling afneemt, kalmeert ook de stroom die de restanten van de plaatsen waar ze langs kwam in zich draagt. Stroomversnellingen verzachten en verdwijnen. Meanderend kronkelt ze door het landschap. Eroderend en sedimenterend, voortdurend veranderend stroomt ze naar beneden. Steeds maar verder naar beneden. Andere stromen vloeien over in haar, vermengen zich met haar. Haar bedding wordt breed en ondiep en haar stroming traag. Een nieuwe geur, een nieuwe smaak komt haar tegemoet op een vreemd getij: zout.
Eindelijk mondt ze uit in dat grote reservoir. Het bekken waar zoveel anderen zoals zij in worden bewaard. En onder dit weidse oppervlak, waar de schepen varen en de wolken ontstaan, bezinkt het slib dat ze heeft meegebracht op de bodem, laag na laag. En deze lagen glijden verder in zee, steeds dieper en donkerder. Ontdaan van alle kleur slippen ze de slenk in en worden verder naar beneden geperst, de aardkorst in. Met de druk van alles wat er boven ligt, komt de hitte, die zo intens wordt dat de bodem smelt en dan nog verder stroomt, steeds verder naar beneden, naar het binnenste waar het zich verzamelt en bewaard blijft, tot het tijd is om opnieuw te worden uitgeschonken. Om weer te ontspringen, hier of daar, op die korst, en nieuwe aderen te verspreiden over het landschap, telkens weer opnieuw.
Het is hier dat we ze tegenkomen en in hun dopen we onze kruiken, flessen en buizen. Om ze in ons te gieten en de smaken te proeven die ze van ver hebben meegebracht. Dit gruis tussen onze tanden - bevat het een betekenis? Of zijn wij degenen die hen bevatten? Zo ja, dan slechts tijdelijk. Want met het verstrijken van de tijd verdampen ze uit onze poriën en zweven ze de lucht in, met de wind mee, om op een verre berghelling weer neer te regenen en zo opnieuw de dans te vervoegen.