XVIII. De Maan
De achttiende kaart wordt gezegd de toestand van de hel te allegoriseren en is in zijn samenstelling een van de meest surrealistische. De honden belichamen onze menselijke emoties, vreemd genoeg aangetrokken tot de maan maar tegelijkertijd verontrust door haar grote invloed, blaffen een waarschuwing uit in hun angst. Het uiterlijk van de kaart moet altijd worden beschouwd als een waarschuwing, vaak gekoppeld aan overmatige verbeeldingskracht of schadelijke invloeden. Het duidt op een soort hypnose of slaaptoestand, waarvan de aard mogelijk niet wordt begrepen door de vraagsteller, zelfs niet wanneer deze onder hun aandacht wordt gebracht. Het menselijke verlangen naar exploratie en ontdekking is er altijd geweest. Vanuit deze drijfveer zijn baanbrekende technologieën en uitvindingen voortgekomen, die het radicale en onvoorstelbare mogelijk hebben gemaakt. Hoge idealen veranderen echter vaak in nachtmerries, en historisch gezien zijn onze verkenningsinspanningen uitgemond in bezetting en kolonisatie. We vervuilen onze ruimte met achtergelaten satellieten en ruimtepuin, en het militaire gebruik van drone-technologie, opdringerige surveillance en de wapenwedloop in de ruimte bezorgen ons koude rillingen. De occulte traditie beschouwt de maan als het land van de doden, wat ons doet afvragen wat onze heerschappij erover zal betekenen voor het leven zoals we dat op aarde kennen. Als de mens niet wordt beïnvloed door de maan, dan is hij het enige op aarde dat dat niet is.
'Non valent latrare'
'Er is geen reden om te blaffen'