Voor deze serie schilderijen gebruikt Lisette Schumacher de vorm van de boog als kader voor het beeld. De boog kent een lange architectonische geschiedenis die teruggaat tot de Romeinse bouwkunst, waar het een essentieel constructief element was in bruggen, aquaducten en publieke gebouwen. In de Renaissance werd de boog verfijnder toegepast en kreeg het een meer esthetische rol in paleizen en binnenplaatsen.
Met de opkomst van staal en beton verdween de constructieve noodzaak van de boog. In de hedendaagse architectuur keert deze vorm terug als een bewuste verwijzing.
Door de boog als formaat voor haar schilderijen te gebruiken, introduceert Schumacher dit architectonische element opnieuw als visueel en symbolisch kader. De gebogen vorm begrenst het beeld en stuurt tegelijkertijd de beweging binnen de compositie, waardoor een spanningsveld ontstaat tussen structuur en vloeiendheid.