Cindy richt zich op de grote kleurvlakken en vormen die overal om haar heen verschijnen: verkeersborden, oranje pvc-buizen op bouwplaatsen of groene vuilnisbakken langs de A2. Een ronde betonnen afvalbak markeert de stad ongemerkt, een geelblauwe trein raast onopgemerkt door het groene landschap. Deze industriële mono- of dichrome objecten spreken een universele taal, maar zijn uitsluitend ontworpen vanuit hun functie. Rood is gevaar; geel is pas op! Hoewel we de wereld allemaal anders waarnemen, creëren de objecten een collectief verwachtingspatroon. Ze alarmeren ons, maar verdwijnen ook snel weer uit ons geheugen; de relatie is in veel gevallen kortstondig en onpersoonlijk. Deze zichzelf herhalende objecten roepen bij mij een ervaring op die oscilleert van herkenning naar vervreemding en weer terug. Deze ervaringen zijn, in tegenstelling tot de objecten zelf, niet universeel, maar individueel en persoonlijk. Cindy probeert deze relaties met het banale in haar werk te ontrafelen.
Deze situaties vertalen zich in sculpturen of schilderijen die Cindy gebruikt als elementen in installaties. Ze werkt vaak met materialen zoals gips, piepschuim, acryl, gegoten rubber en hout. De persoonlijke touch als maker is belangrijk voor haar; "Het ontrafelt mijn persoonlijke relatie met en fascinatie voor het origineel, het object, het moment." Haar werk, dat bijna onhandig en kinderlijk is opgezet, contrasteert met de industrieel geproduceerde objecten waar Cindy zo door gefascineerd is. Hoe kun je een object ontdoen van zijn functie en tegelijkertijd een gekleurd oppervlak betekenisvol maken? Ze wil dat deze objecten hun status als massaproducten verliezen en voor even uniek en bijzonder worden. Ze krijgen een persoonlijkheid en vertellen weer een verhaal. Ze zijn niet langer plat. Ze zijn niet langer banaal.