Voor zijn tweede solotentoonstelling bij Contour Gallery trok de Rotterdamse fotograaf Rubén Dario Kleimeer naar de rafelranden van de stad voor “alledaagse, ruwe plekken” die hij samenbrengt in drieluiken. “Ik wil de kijker laten vergeten dat hij naar een blinde muur kijkt.”
Rubén Dario Kleimeer (Colombia, 1978) studeerde aan de Willem de Kooning Academie, eerst interieur architectuur en later beeldende kunst. “Ik begon aan de studie met de ambitie om ontwerper of architect te worden. De colleges over architectuurtheorie en cultuurgeschiedenis verbreedden mijn blik.” Voor het debat over architectuur, kwam je in die tijd in Rotterdam goed aan je trekken. Je kon naar het NAi, het Berlage Instituut, de galerieën toentertijd op de Witte de Withstraat en menig architectenbureau hield open huis. Toen ik fotografie studeerde deed de digitale fotografie haar intrede, maar ik kreeg les van docenten van de oude stempel, waardoor ik nog net met een analoge technische camera heb leren werken.”
Is je liefde voor architectuur al skateboardend ontstaan?
Street-skaters gaan in de gebouwde omgeving opzoek naar trappen om een ollie
vanaf te doen, een reling om op te glijden of een richel om op te grinden.
Al doende ontwikkel je een creatieve blik op bestaande bouwwerken. In mijn vorige serie, Imaginary Perspectives, had ik reeds veel aandacht voor gebogen en gekromde vlakken. Dat zijn natuurlijk vormen waar skateboarders in hun onderbewuste naar op zoek zijn. Zo is het skateboarden ook ontstaan. Op de dagen dat er op zee geen golven waren, zochten surfers in Californië naar plekken waar ze de ervaring van het surfen op van een golf konden simuleren. Ze kwamen uit bij plekken als de LA River waar ze gingen skaten op hellingbanen van beton. Later in de jaren ‘70 kwamen daar door droogte en waterschaarste op last van lokale overheden leegstaande zwembaden bij. Die gebogen en gekromde vormen zou je kunnen zien als de archetypische vormen van het skateboarden.
Neem je voor je werk ook je skateboard mee?
Nee, dat zijn gescheiden werelden. Ik werk het liefst met een grote, technische camera vanaf een statief, hetgeen mijn opperste concentratie vereist.
Naast die technische camera werk je het liefst met zwart-witfilm; wat is daarvan het voordeel?
Moderne architectuur en fotografie zijn ongeveer even oud, voor mij gaan ze dan ook hand in hand. Mijn fotobeelden zijn een soort lofzang op architectuur. Door de kadrering leg ik de nadruk op het materiaal en het monumentale: de stenen, het staal, het hout. In zwart-wit benadruk je de structuur van architectuur en bepaalde bouwvolumes beter. De technische camera stelt je in staat om perspectivische vertekening op te heffen.
Door die typische kadrering en de afwezigheid van mensen moest ik ook denken aan het werk van de Zweedse fotograaf Gerry Johansson en door de non-descripte architectuur aan dat van Lewis Baltz. Zijn zij inspiratiebronnen voor je geweest?
Jazeker, hun werk waardeer ik te zeerste. Het verschil tussen mij en Johansson is dat hij een midden-formaatcamera gebruikt en daarom intuïtiever te werk kan gaan. Meer zoals in de straatfotografie. Als ik met mijn technische camera een plek vind, ben ik zeker nog 20 minuten bezig met het componeren van het beeld. Dat komt gespiegeld en op zijn kop tevoorschijn op het matglas waar je onder een zwarte doek naar kijkt. Werken met technische camera is niet alleen tijdrovend maar ook duur, waardoor je zeer berekenend te werk moet gaan. Net als de leden van de New Topographics-stroming waar Baltz deel van uitmaakte, heb ik van tevoren vaak een vermoeden wat ik in een bepaald gebied zal aantreffen.
Als je het over je werk hebt, spreek je over fotobeelden. Waarom is dat?
Een print is een plat vlak op papier. Mijn portretten van gebouwen zijn bijna fysiek, lijvig en monumentaal. Ik probeer dat fysieke te delen met de kijker. Ik wil dat het opnieuw driedimensionale objecten worden. Eigenlijk hoop ik dat je met de camera in staat bent om nieuwe architectuur te scheppen.
Je huidige show The Potential of the Unintentional bestaat uit drieluiken. Wat is daar het idee achter?
Zoals ik al zei, probeer ik dat fysieke te delen met de kijker. Dat kan door het formaat van de foto’s, of door ze een dialoog te laten aan gaan met andere werken, maar ook door ze op een bepaalde manier op te hangen, zoals nu met de drieluiken. Daar schuilt The Potential of the Unintentional in. Ik portretteer namelijk alledaagse, ruwe plekken en passages daarvan. Soms zijn het constructieve elementen. Door ze te kadreren licht ik ze uit hun context en zet ik ze in een eigen setting. Zo reduceer ik bestaande structuren tot een grondvorm, waardoor ik de kijker wil laten vergeten dat hij naar een blinde muur kijkt.
Voor de The Potential of the Unintentional heb je naast Rotterdam ook Brussel en Amsterdam bezocht. Zijn dat plekken waar je genoeg werk kan maken?
Ze zijn in de eerste plaats dichtbij huis, dus het is logistiek makkelijk om daar werk te maken. Deze serie biedt voor mij genoeg aanknopingspunten om er een soort grand tour van Europa van te maken. Steden als Londen en Parijs zal ik ongetwijfeld gaan aandoen, maar plekken als Marseille of Düsseldorf zijn voor mij zeker zo interessant. Ik hoop een soort archief op te bouwen, zodat je een beeld uit Kopenhagen naast een beeld uit Lissabon kan hangen en er een dialoog ontstaat. Net als die verzamelingen van de Bechers, wat zij in hun reeksen weten te genereren is mijns inziens simpelweg onovertroffen.