Vincent Lagrange fotografeerde ruim twintig jaar dieren, maar nu breidt hij zijn oeuvre verder uit met zijn sculpturale serie ‘Never Enough’. Lagrange richt zijn blik op de mens, zonder die letterlijk af te beelden. Witte, zachte vormen wringen zich buiten houten kaders, alsof ze meer ruimte opeisen dan ze krijgen. Hij vestigt onze aandacht op het kantelpunt waarop verlangen omslaat in overdaad, het moment waarop we kunnen besluiten om niet méér te nemen. ‘Het wordt gevaarlijk als je nauwelijks nog voelt wat je al hebt.’ Op PAN Amsterdam presenteert SmithDavidson Gallery zijn sculpturen voor het eerst in Nederland.
Voorheen had je een fotostudio, maar nu staat je werkruimte ook vol met sculpturen. Is je atelier veranderd sinds je hiermee bent begonnen?
Het atelier is meegegroeid met mijn werk. Telkens wanneer een nieuw project om andere mogelijkheden vroeg, heb ik de ruimte daarop aangepast. De fotostudio blijft het hart. Daaromheen heb ik ruimte gemaakt om vormen uit te werken, met materialen te experimenteren en mallen te testen.
Het fijne is dat alles onder één dak zit. Ik kan iets maken, meteen zien wat het licht ermee doet en verder werken. Wat ik achter de camera leer, neem ik mee naar de werkbank, en omgekeerd. Ook mijn nieuwe reeks ‘Never Enough’ is uit die wisselwerking ontstaan.
Vincent Lagrange, Fungus, 2026, SmithDavidson GalleryVoldoet het atelier dat je nu hebt nog aan jouw eisen? Of droom je weleens van een andere ruimte?
Deze plek geeft me veel vrijheid. Ik woon aan het atelier, dus een idee hoeft hier zelden te wachten. Mijn vader woonde en werkte hier ook. Hij deed veel zelf en had zijn eigen doka en printruimte, decors en al het materiaal voor zijn opnames. Ik groeide op met de vanzelfsprekendheid dat je zelf onderzoekt hoe je een beeld kunt maken. Die mentaliteit heb ik voortgezet, nu ook in vorm en materiaal.
Het atelier legt me weinig beperkingen op. Ik kan er decors bouwen, modellen ontwerpen, met licht experimenteren en beelden uitwerken in de doka en printruimtes. Mijn bureau biedt rust; in de presentatieruimte kan ik afstand nemen van het maken. Na mijn vaders overlijden heb ik de plek aangepast aan mijn werk. Zijn manier van werken leeft erin verder. Wat hij achterliet, neem je niet mee in een verhuisdoos. De natuur zoek ik op als tegengewicht voor alles wat hierbinnen gebeurt.
Je hebt meer dan twintig jaar dieren gefotografeerd. Wanneer ontstond de behoefte om ruimtelijk werk te maken?
Pas met ‘Never Enough’. Na al die jaren met dieren wilde ik het over ons hebben, zonder een mens te fotograferen. Het zouden foto’s worden: ik ontwierp vormen om voor de lens te zetten en onderzocht tegelijk de kaders waarin die beelden terecht zouden komen. Voor mij als fotograaf is de stap naar een lijstenmaker heel vanzelfsprekend. Was ik vanuit de beeldhouwkunst vertrokken, dan had ik het kader niet meegenomen. Bij mij zat het vanaf het begin in het denken over het beeld.
Het voelt alsof de wereld steeds meer tegen haar kader duwt. Toen ik de eerste modellen in mijn handen had, merkte ik dat hun volume en spanning dat gevoel tastbaar maakten. Het houten kader werd de grens waarbinnen alles nog moet passen. Wat begon als een fotografische keuze, werd deel van het onderwerp.
Het kader is voor mij ook een morele grens. Hoeveel ruimte mogen we voor onszelf opeisen, en ten koste van wie of wat? De spanning zit in het moment waarop ons verlangen naar meer de ruimte van een ander begint in te nemen. Ik blijf kijken als fotograaf, maar geef die vraag nu een fysieke vorm.
Vincent Lagrange, Forevermore, 2026, SmithDavidson GalleryWelke vaardigheden en technieken moest je jezelf hiervoor aanleren?
Bijna alles. Bij mijn vader zag ik hoeveel werk er aan één beeld voorafging. De klik kwam pas op het einde. Ik groeide er ook op tussen vrouwelijke vormen. Ik denk dat die aandacht voor rondingen, huid en licht terugkomt in de lichamelijkheid van deze reeks.
Mijn blik als fotograaf bepaalt ook hoe ik de sculpturen ontwerp. In mijn ontwerpsoftware werk ik met een virtuele lichtstudio. Daar ontwikkel ik vorm en licht samen: hoe een welving het licht vangt, hoe diep een plooi moet zijn, wanneer een vorm zacht, gespannen of beklemd aanvoelt. Zo kan ik al op het scherm onderzoeken wat druk met een vorm doet en zoeken naar het gevoel en de expressie die ik wil overbrengen.
Daarna werk ik een ruwe fysieke versie verder uit. Ik verdiep plooien en verfijn overgangen. De huid ontstaat door herhaaldelijk lagen aan te brengen, te retoucheren en te schuren. Pas wanneer vorm, structuur en lichtwerking kloppen, wordt een mal gemaakt waarin het uiteindelijke werk wordt gegoten.
Ik besteed pas uit wat ik zelf beheers. Na mijn eigen prototypes en malstudies haalde ik er een specialist bij voor de grote mallen. De eerste testkaders maakte ik zelf. Daarna vond ik een vakman in massief hout en kaders, met evenveel passie voor zijn vak als ik voor het mijne.
Je hebt jezelf een tijd teruggetrokken voor het maken van deze serie. Is het goed bevallen?
Het duurde ongeveer twee jaar, de voorbereiding meegerekend. Ray, mijn Brusselse griffon, keek dagelijks mee. Met mijn galerijen bleef ik praten, maar ik wilde kunnen zoeken zonder telkens uit te leggen waar ik mee bezig was. Sommige ideeën verdragen nog geen publiek.
Die afzondering maakte me scherper en kwetsbaarder. Dat ik die tijd kon nemen, dank ik ook aan mijn vriendin. Ze heeft de voelsprieten die ik soms mis. Intussen zijn we met drie, Ray niet meegerekend.
In je fotografische werk toonde je de ziel van dieren. Wat zijn de grootste verschillen nu je je op de mens richt?
Bij de dieren stem ik het decor op hen af en wacht ik tot ze zich op hun gemak voelen. Dan leg ik vast wat zich aandient. In deze reeks bepaal ik alles zelf. Elke plooi is een beslissing. Ik toon geen personen, maar vormen waarin je iets van jezelf kunt herkennen. Zonder een herkenbaar gezicht wordt het moeilijker om te denken dat het alleen over iemand anders gaat.
Dat geldt ook voor mij. Ik maak werk over het verlangen naar meer, terwijl datzelfde verlangen me telkens weer aan het werk zet. Zodra een vorm af is, zie ik alweer wat er nog mogelijk is. De grens van genoeg die ik in deze reeks onderzoek, schuif ik zelf voortdurend op.
Waarom denk je dat mensen meer nemen dan dieren? Hoe is de gewoonte erin gesleten dat mensen meer nemen dan ze nodig hebben?
Bij dieren treft me hoe direct hun behoeften zijn, en hoe weinig ruimte wij hun soms nog laten. Ons verlangen gaat verder dan het lichaam. We vergelijken, verzamelen en denken vooruit. Wat gisteren een feest was, is vandaag een gewone dinsdag. Zo schuift de grens van genoeg op, aangemoedigd door een economie die ons voortdurend uitnodigt om meer te willen. Dat verlangen brengt ook mijn werk voort. Maar het wordt gevaarlijk als je nauwelijks nog voelt wat je al hebt.
Vincent Lagrange, Born into Want, 2026, SmithDavidson Gallery
Denk je dat we ons daaraan kunnen onttrekken? Hoe kunnen we ons beter wapenen tegen verleiding en overvloed?
Niet helemaal, denk ik. Een van de werken heet Born into Want. Verlangen hoort bij ons. Waar we wel vat op hebben, is de seconde tussen willen en nemen. Aan de kassa, bij een jas die je eigenlijk al hebt, bij de tiende keer dat je je telefoon ontgrendelt: heb ik dit nodig, of is het gewoonte?
Ik verwacht niet dat een sculptuur iemands leven verandert. Maar als het werk die seconde wat langer maakt, ben ik al tevreden. Voor mij begint het bij het besef dat genoeg ook iets is wat je jezelf moet toestaan.
In tegenstelling tot een foto verhoudt een sculptuur zich nog meer tot de ruimte. Wanneer komen je beelden het best tot zijn recht denk je?
In een rustige ruimte, met kijkafstand en aandacht voor licht. Het houten kader is mijn cadrage. Het maakt de spanning voelbaar tussen de beschikbare ruimte en wat de vorm lijkt op te eisen. Soms lijkt die zo bekneld dat je medelijden krijgt. Door die knelling krijgt de vorm iets kwetsbaars. Je herkent lichamelijk ongemak, nog voordat je over het onderwerp nadenkt.
Met elke verschuivende schaduw verandert wat je ziet. Ook de schaduw op de muur speelt mee: het beeld reikt verder dan zijn kader. De vorm staat stil, het licht niet. Van ver zie je de volledige compositie. Van dichtbij ontdek je de huid en het contrast tussen het hout en de zachte witte vormen.
Vincent Lagrange, The Wave after the last Wave, 2026, SmithDavidson GalleryZie je ‘Never Enough’ als een voortzetting van dat werk, of juist als een breuk?
Als een omkering en daardoor als een voortzetting. Veel dieren die ik fotografeer, verliezen leefruimte door onze behoefte aan meer. Het ene werk laat zien wat me dierbaar is, het andere wat dat bedreigt. Mijn dierenportretten zijn een liefdesbrief. ‘Never Enough’ is een dolk van slagroom voor de mensen: scherpe kritiek, zacht verpakt. Die kritiek geldt evengoed voor mezelf.
Wat kunnen we verwachten? Blijf je je ontwikkelen in ruimtelijk werk, of lonkt fotografie alweer?
Ik blijf dieren fotograferen, en ook ‘Never Enough’ krijgt een fotografisch vervolg. Voor het boek bij de reeks worden de sculpturen zelf mijn modellen.
Met licht, schaduw en uitsnede kan ik heel precies bepalen wat naar voren komt en wat verborgen blijft. Een vorm kan zacht en kwetsbaar ogen, maar onder ander licht juist zwaar en beklemmend worden. Zo keert de reeks terug naar waar ze begon: voor de lens, met alles wat ik onderweg over vorm en materiaal heb geleerd.
Tegelijk zijn er werken op komst die verder gaan in volume en schaal. Wat het precies wordt, houd ik nog even voor mezelf. Het onderwerp raakt voorlopig niet op. Daar zorgen we zelf wel voor.
Atelier Vincent Lagrange