Van Eyk (1993) heeft dan ook een atelier op een locatie die aansluit bij zijn praktijk. Onder de rook van Schiphol heeft hij 125m2 tot zijn beschikking. In dat domein is het proces leidend. Het atelier voegt zich naar de vereisten van het proces, dat kan schetsen zijn, maar ook sculpturale werkzaamheden of werk op de grond.
Interview is de eerste samenwerking tussen Van Eyk en Han Schuil (1958) bij galerie tegenboschvanvreden. Jaren terug zag Van Eyk Schuils werk op een beurs, het greep hem meteen. Er ontstond een gesprek tussen twee kunstenaars uit verschillende generaties die beiden lak hebben aan dogmatische hiërarchieën van goede/slechte of hoge/lage motieven. Ook al ziet hun werk er totaal anders uit, ze delen een vertrekpunt: beiden raken gefascineerd door iets wat zich aandient en dat bruikbaar wordt wanneer het je niet meer loslaat.
De laatste keer dat ik je sprak, twee jaar terug, had je net een nieuw atelier aan de rand van Amsterdam, onder de rook van Schiphol. Zit je daar nog steeds?
Zeker, twee jaar geleden was de verbouwing bijna afgerond en de tentoonstelling waarover we elkaar toen spraken, was met het eerste werk dat in het nieuwe atelier gemaakt was. Inmiddels is het al echt mijn plek, met ruimte voor groei, en zie ik mezelf hier nog heel lang werken.
Ricardo van Eyk, OPERA (PLANE) II, 2024, tegenboschvanvredenKan je beschrijven hoe je atelier eruitziet?
Op het moment nogal een chaos, vol resten stof, gaas en lege verfblikken van het explosieve werkproces de afgelopen periode waarvan de resulterende schilderijen in de tentoonstelling 'INTERVIEW' met Han Schuil te zien zullen zijn bij galerie tegenboschvanvreden.
Het atelier van 125m² heb ik opgedeeld in een opslag, een te verwarmen "kantoorruimte" met een keukentje en dergelijke, een stofhok voor schuurwerkzaamheden en chemische verf. De rest is een grote ruimte die ik met rijdende werktafels kan inrichten naar waar mijn focus op dat moment ligt. Dat kan schetsen zijn, sculpturale werkzaamheden, of zoals afgelopen tijd schilderkunstig: werken kunnen op de grond bewerkt worden, op rijdbare tafels of aan de muur. Oftewel het atelier voegt zich naar de vereisten van het proces waar ik me op dat moment in begeef.
Verder zit mijn atelier aan de "goudkust", de bijnaam op het terrein voor ruimtes die aan de zuidkant zitten, bij de openslaande deuren heb ik een kleine zithoek gecreëerd met een prikbord voor projecten, maar ook wat plantjes en comfort om af en toe te kunnen mijmeren, werken in proces te bekijken, aanvragen te schrijven of simpelweg een boek te lezen.
Je bent schilder, maar ik kan me voorstellen dat noorderlicht voor jou minder belangrijk is dan voor iemand die figuratief werk maakt. Waaraan moet een atelier voor jou voldoen, wat zijn de minimumvereisten?
Licht is inderdaad geen grote vereiste voor mijn werk, maar wel mentaal: mijn vorige atelier in Utrecht had bijvoorbeeld geen daglicht, wat toch wel erg vermoeiend was na een dag werk. Erg belangrijk is de hoeveelheid ruimte en de hoogte in iets mindere mate: het feit dat ik nu de mogelijkheid heb mijn ruimte om te vormen naar de vereisten van uiteenlopende werkzaamheden is perfect, mijn manier van kijken en de kern van mijn praktijk blijven geworteld in de schilderkunst, maar parallel hieraan ontwikkelt het ruimtelijke werk zich ook steeds meer, en dit vraagt een flexibel atelier.
Wat mijn altijd heeft aangetrokken tot je werk is dat je wegblijft bij wat jij 'gemakkelijke strategieën' noemt of dingen waar je te goed in wordt. Daardoor blijft je werk verrassen. Is er een werkwijze waarmee je recent bent gestopt, omdat het te makkelijk werd?
Ik ben al snel huiverig voor het te behendig worden in een bepaalde aanpak, waaruit het gevaar ontstaat te verzanden in visuele aantrekkingskracht zonder die eerste urgentie te ervaren die tot zo'n proces geleid heeft.
Toen we elkaar twee jaar terug spraken voor 'LEVEL' ging dat vooral over de 'LASSO' serie; spiegelwerken waarmee ik in 2023 de Koninklijke Prijs heb mogen winnen. Ik denk nu dat het niet per se te makkelijk was daarmee door te gaan, dat klinkt misschien wat pretentieus, omdat ik het gevoel had dat die urgentie er niet meer in zat voor mij. Wie weet komt die later weer terug en zie ik er weer mogelijkheden in.
Nu is hetzelfde een beetje gebeurd met een procedé waar ik ook al jaren mee bezig ben geweest, namelijk het opbouwen van schilderijen met vele dikke lagen lak en door middel van uitsnijden afstekken van lagen tot eerdere lagen te komen. Het werk 'century' bijvoorbeeld, uit 2024, getoond in 'LEVEL' en recentelijk genomineerd en getoond voor de Scheffer Prijs van het Dordrechts Museum, heeft de laatste tijd en voorlopig plaatsgemaakt voor het procedé van de serie 'ACME', waarvan de eerste ontdekkingen in 'LEVEL' te zien waren en de nieuwe vondsten in de duo show met Han.
Ricardo van Eyk, Lasso IV, 2021, tegenboschvanvredenJe noemde hem al even, Han Schuil. Je hebt nu een tentoonstelling met hem, het is een kunstenaar uit een andere generatie. Dat is best ongewoon, meestal zie je twee of drie generatiegenoten in een groepstentoonstelling. Hoe kwam deze samenwerking tot stand?
Ik heb Han's werk leren kennen toen ik op de academie zat, ik denk zo rond het tweede jaar waarin ik meer ontdekte over de beeldende kunst en mijn eigen benadering zich langzaam begon te vormen. Op een beurs zag ik een of meerdere werken uit zijn series 'HEAT' en 'BLAST', gebaseerd op infrarood/hitte beelden en grafische ontploffingen. Die werken raakten me direct.
Grappig dat je generaties benoemt, want ik kon deze werken totaal niet plaatsen in een "tijd", het verbaasde me ergens dat Han al sinds eind jaren '80 werkzaam was, het voelde zo jeugdig enthousiast. Ik heb hem toen benaderd en hij was zo aardig me uit te nodigen voor een gesprek. Het klikte en hebben we sindsdien voortgezet. Dat leidde jaren later tot een eerste samenwerking in een gezamenlijke tentoonstelling bij zijn toenmalige galerie Onrust in 2022: 'ZOOM'.
Wat kunnen we verwachten in de tentoonstelling?
Hopelijk een interessante dialoog, een inter-view, tussen twee kunstenaars waarin overeenkomsten en verschillen tussen de onderliggende benaderingen en natuurlijke visuele uitingen elkaar versterken en botsen. Naar ons idee is dat geslaagd en we hopen natuurlijk dat bezoekers dat ook herkennen.
Ricardo van Eyk, Century, 2024, tegenboschvanvreden
Wat trekt je aan in het werk van Schuil? Zie je overeenkomsten?
Zijn beelden spraken me als eerst aan, na die eerste impact op die beurs in mijn tweede academiejaar ben ik natuurlijk in zijn oeuvre gedoken en herkende daar een manier van kijken: motieven als schilderachtig gerepareerde asfalt wegen; cartoon/manga ogen; de vorm van boerenschuren met composities van golfplaten in verschillende kleuren etc.
In de gesprekken die we door de jaren heen gevoerd hebben, was het vooral zijn vrije benadering die me veel heeft geleerd: het afzetten tegen dogmatische hiërarchieën van goede/slechte of hoge/lage motieven, en gefascineerd worden door iets wat zich aandient en dat bruikbaar wordt als het je niet meer loslaat, of dat nou een tijdelijk HERAS-hekwerk is of een 1500 jaar oud religieus papyrus palimpsest. Dit sloot aan bij hoe ik de kunst zelf wil benaderen, en mede door docenten op de academie zoals Lieven Hendriks waarin ik hetzelfde herkende, is dat een drijvende factor geworden en gebleven in mijn ontwikkeling als kunstenaar.
Tot slot, stel ik spreek je over 5 of 10 jaar nog eens: welk project hoop je dan gerealiseerd te hebben?
Ik heb geen concreet langetermijnproject op de plank liggen. Het werk vloeit naar waar ik mee bezig ben op dat moment. Nu is dat bijvoorbeeld veel ruimtelijk werk, waarvan die ontwikkeling me weer op scherp zet en nieuwe benaderingen zich aandienen om het binnen de schilderkunst opnieuw te formuleren, zoals de serie 'ACME' in de huidige tentoonstelling met Han.
De afgelopen 10 jaar, sinds mijn afstuderen aan de academie in 2016, ben in mijn werk door nieuwe ervaringen, fascinaties en uitdagingen - zoals een sculpturale commissie voor het Rijksvastgoedbedrijf waaraan ik momenteel werk - allerlei aanzetten tot nieuwe stappen gaan initiëren en mogelijkheden gaan onderzoeken.
Voor die commissie ben ik bijvoorbeeld bezig met aluminium gieten, ben ik met Maria Roosen meegegaan naar Tsjechië om te experimenteren met glasblazen en heb ik geprobeerd het lassen onder de knie te krijgen. Daarnaast ben ik de afgelopen jaren veel bezig geweest met kas-achtige constructies in installaties, die haar weg in een andere vorm weer terugvindt in deze opdracht.
Misschien is dat een project dat ik binnen de aankomende vijf jaar graag zou realiseren: de kans vanuit een instituut zoals een museum of projectruimte, een grote solo te maken waarin al deze divergerende elementen van mijn huidige praktijk geoogst kunnen worden in een totaalinstallatie en te zien en voelen wat voor "eigen wereld" dat oplevert. Dat zou een droomuitdaging zijn. Misschien dat die tentoonstelling met nieuwe invloeden en aanscherpingen dan binnen 10 jaar getoond kan worden in een prestigieus internationaal museum?
Ricardo van Eyk, ACME IV (papillon I), 2025, tegenboschvanvreden