BorzoGallery in Amsterdam presenteert tot en met 26 juni de tentoonstelling ‘Sculptures, Drawings, Collages’ van Carel Visser. Daarin brengt de galerie sculpturen uit de jaren zestig samen met tekeningen uit de periode 1972-1991, waarvan een groot deel sinds de jaren negentig niet meer te zien is geweest. De presentatie belicht daarmee ook een minder zichtbaar aspect van de praktijk van Visser, die vooral bekend is vanwege zijn sculpturen. Tip: tot en met 25 oktober zijn dertien monumentale beelden van zijn hand ook (gratis) te zien in de Rijksmuseumtuinen.
Carel Visser wordt beschouwd als een van de belangrijkste Nederlandse beeldhouwers van de twintigste eeuw. Hij werd op 3 mei 1928 geboren in Papendrecht als zoon van een civiel ingenieur. In het bedrijf van zijn vader leerde hij houtbewerken en lassen. Hij begon dan ook aanvankelijk aan een studie architectuur aan de Technische Hogeschool in Delft, maar besloot verder te studeren aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag. Die combinatie van architectuur en beeldende kunst bleef zichtbaar in de manieren waarop hij zijn werken opbouwde. Zijn sculpturen ontstonden vanuit een proces van assemblage, stapeling en constructie, en werden getekend door een combinatie van vorm, herhaling, symmetrie en ritme.
De beeldtaal van Visser veranderde gedurende zijn hele carrière voortdurend: waar hij in de jaren vijftig, in tegenstelling tot veel Nederlandse generatiegenoten, dacht vanuit constructivistische principes en geometrisch-abstracte vormen, werd zijn praktijk vanaf de jaren zeventig veel vrijer, speelser, intuïtiever en sterker gericht op de mogelijkheden van zijn materiaal. In 1968 vertegenwoordigde hij Nederland op de Biënnale van Venetië en nam hij deel aan Documenta 4 in Kassel.
De kunstenaar vond inspiratie tijdens verschillende reizen en werkperioden in Italië, Spanje, Frankrijk, de Verenigde Staten en Mexico. Ook de natuur vormde een belangrijke inspiratiebron: zelfs in zijn meest abstracte sculpturen zie je regelmatig echo's van planten, dieren, landschappen of natuurlijke structuren. Niet in letterlijke zin, maar in termen van vormen of onderliggende patronen. Ook het werk van andere kunstenaars voedde zijn werk, waaronder ook het werk van Constantin Brâncuși.
In plaats van traditionele beeldhouwmaterialen als brons of marmer verkoos de kunstenaar lang industriële materialen als staal, ijzer en beton. Later experimenteerde hij ook met zand, wol, hout, aluminium, veren, eieren, schelpen, botjes, karton, glas en autobanden. Tegenstellingen waren een terugkerend gegeven binnen zijn praktijk: natuurlijk versus kunstmatig, zwaar versus licht, kracht versus kwetsbaarheid, orde versus intuïtie.
Hoewel Visser vooral bekend is als beeldhouwer is zijn praktijk buitengewoon multidisciplinair: naast sculpturen maakte hij ook tekeningen, collages, grafiek, houtsneden en reliëfs. Dezelfde vragen die Visser in zijn sculpturale oeuvre onderzocht zijn ook zichtbaar in zijn werken op papier. In zijn collages zocht Visser naar compositie, evenwicht en ruimtelijke werking en combineerde hij uiteenlopende materialen om zo nieuwe verbanden te leggen. De grafiettekeningen in de tentoonstelling zijn opgebouwd uit eindeloos veel lagen potlood, waardoor sommige vlakken een haast metalen glans krijgen.
Het werk van Visser bevindt zich in de collecties van het Rijksmuseum, Stedelijk Museum Amsterdam, Museum Boijmans Van Beuningen, het Kröller-Müller Museum, Kunstmuseum Den Haag, het Centraal Museum, Tate Modern, het Museum of Modern Art in New York, De Nederlandsche Bank, Schiphol en het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Verschillende werken van zijn hand zijn te zien in de openbare ruimte. Tijdens zijn carrière ontving hij onder meer de Staatsprijs voor Beeldende Kunst en Architectuur, de Dr. A.H. Heinekenprijs voor de Kunst en de Wilhelminaring. Op 1 maart 2015 overleed hij op 86-jarige leeftijd in zijn woonplaats Le Fousseret in Frankrijk.