Giuseppe Lo Schiavo groeide op aan de kust van Calabrië, met uitzicht op Sicilië en de vulkaan Stromboli. Deze horizon was onderdeel van zijn dagelijks leven, totdat hij vertrok. Omdat herinneringen vervagen en ons geheugen beelden onvermijdelijk vervormt, ging Lo Schiavo op zoek naar een manier om die landschappen opnieuw tot leven te wekken. Niet zoals ze werkelijk waren, maar zoals ze voortleven in onze herinnering. En soms zelfs mooier dan de werkelijkheid zelf. Tot en met 12 juni is zijn werk te zien bij Spazio Nuovo in Amsterdam.
Met behulp van 3D-scanners, projectoren en digitale beeldtechnieken construeert de Italiaanse kunstenaar een nieuwe realiteit. Daarbij gebruikt hij fotografie niet om de wereld vast te leggen, maar om haar opnieuw vorm te geven: “Het uiteindelijke beeld oogt misschien fotografisch, maar het proces lijkt eerder op het bouwen van een wereld dan op het documenteren ervan.”
Waar is je atelier en kan je beschrijven hoe dat eruit ziet?
Mijn atelier is momenteel in Milaan, in een afzonderlijk gedeelte van mijn appartement. Dat is belangrijk, omdat ik geen vaste werktijden heb. Ik werk vaak ’s nachts of op het moment dat een idee zich aandient en dan wil ik direct aan de slag kunnen. Eigenlijk zou ik mijn atelier omschrijven als thuis. Ik voel me bevoorrecht dat ik als kunstenaar kan werken en heb zelden het gevoel dat ik ‘naar mijn werk ga’. Het is eerder een plek waar kunst en leven in elkaar overlopen. Het atelier strekt zich bovendien uit over de rest van het huis. Zelfs mijn kat maakt er deel van uit. Zonder hem ben ik niet productief. Hij is degene die me naar buiten krijgt wanneer ik te veel opga in mijn werk. Ik laat hem namelijk aan een tuigje uit in het park beneden.

Jouw beelden ontstaan niet achter een traditionele camera, maar in een digitale omgeving. Hoe ziet je atelier eruit en met welke apparatuur werk je?
Ik werk met krachtige computers, een 3D-scanner, een projector, proefprints en er liggen veel te veel stapels papier en andere materialen. Maar ook heel wat camera’s. Ooit werkte ik als traditionele fotograaf met zowel digitale als analoge middenformaatcamera’s, en die gereedschappen maken nog altijd deel uit van mijn atelier.
Jouw fascinatie voor doorkijkjes en raamkozijnen ontstond tijdens een vakantiebaantje. Wat deed je daar precies en wat viel je op?
Destijds was ik eigenlijk helemaal niet geïnteresseerd in ramen. Het was gewoon een vakantiebaantje bij mijn vader, iets praktisch dat in mijn hoofd niets met kunst te maken had. Ik heb er verschillende zomers gewerkt, maar mijn vader was erg beschermend. Zelfs na vijf jaar liet hij me vooral kijken en leren in plaats van zelf dingen bouwen. Pas veel later, toen ik al aan het project Windowscapes werkte, begon ik die ervaring te verbinden met mijn verleden. Dat vind ik fascinerend, omdat we soms dingen maken die voortkomen uit herinneringen of ervaringen waarvan we ons niet bewust realiseren dat we ze gebruiken. Ze blijven ergens op de achtergrond aanwezig en keren later in een andere vorm terug.
Ongeveer een jaar nadat het project begon, voegde ik het logo van het bedrijf van mijn vader, dat inmiddels niet meer bestaat, toe aan de rechteronderhoek van het raamkozijn. In de eerste werken ontbreekt het nog, omdat ik die connectie toen nog niet had gelegd. Mijn vader vond het destijds erg moeilijk dat hij zijn bedrijf moest sluiten, mede omdat niemand het wilde overnemen. Nu zeg ik soms tegen hem: “Kijk papa, jouw ramen reizen de hele wereld over.”

Hoe ziet het vooronderzoek voor nieuw werk eruit? Werk je vanuit eigen fotografie of gevonden beelden?
Dat proces ziet er telkens anders uit. Soms begint het met een foto die ik zelf maak, soms met een plek, een object of een visueel detail dat me bijblijft. Meestal gebruik ik die beelden niet rechtstreeks. Ze functioneren eerder als aanwijzingen die me helpen een bepaald soort licht, materiaal, verhouding of sfeer te begrijpen.
Je noemt jouw werk ook wel ‘gesimuleerde fotografie’ kan je uitleggen wat je daar precies mee bedoelt?
Ik gebruik die term omdat mijn beelden niet op de traditionele fotografische manier uit de werkelijkheid worden vastgelegd, maar wel worden opgebouwd met fotografische middelen binnen een gesimuleerde omgeving. Ik werk met licht, compositie, lenzen, oppervlakken, diepte en atmosfeer. Alles bouw ik op in 3D, alsof de werkelijkheid een decor is, waarna ik binnen die simulatie een foto maak. Het proces is complexer dan dat, maar dit vormt de basis. Voor mij verwijst ‘synthetic’ naar synthese: verschillende elementen, herinneringen, scans, objecten, architecturen, landschappen en digitale materialen die samenkomen in een nieuw beeld. Dat onderscheid is belangrijk, omdat mijn werk niets te maken heeft met door AI gegenereerde fotografie. Mijn werkwijze lijkt eerder op die van een schilder. Ik construeer een werkelijkheid door te modelleren, te scannen, te componeren, te renderen en licht en materialen te testen. Daarbij worden talloze nauwkeurige keuzes met de hand gemaakt. Het uiteindelijke beeld oogt misschien fotografisch, maar het proces lijkt eerder op het bouwen van een wereld dan op het documenteren ervan.

Door welke uitzichten laat je je graag inspireren? En wat is er zo bijzonder aan de zee in Calabrië?
Waarschijnlijk heeft het leven in de stad mijn behoefte aan natuur alleen maar versterkt. Mijn beelden ontstaan vaak vanuit een gemis, vanuit het verlangen naar iets wat niet direct om me heen aanwezig is. In die zin zie ik ze als een soort ‘natuur op steroïden’: landschappen die intenser en bijna onmogelijk zijn, maar toch emotioneel vertrouwd aanvoelen. Het is geen toeval dat de reeks Windowscapes tijdens de coronapandemie ontstond. De werken kwamen deels voort uit een behoefte om mezelf te redden, of op zijn minst een plek te creëren waar ik mentaal aan de werkelijkheid kon ontsnappen. Later begreep ik waarom zoveel mensen zich ermee verbonden voelen. Ze zijn niet alleen mijn persoonlijke toevluchtsoord, maar raken aan een bredere behoefte aan afstand, openheid, stilte en horizon. Calabrië speelt daarin een belangrijke rol. Ik groeide op met uitzicht op zee, met Sicilië en Stromboli zichtbaar vanuit mijn raam. De horizon was voor mij geen abstract begrip maar onderdeel van het dagelijks leven. Die zee is prachtig, maar ook onvoorspelbaar. Ik gebruik haar graag om verschillende verhalen te vertellen, zoals in mijn recente institutionele project ‘Rotta’, gepresenteerd in Palazzo Vecchio in Florence. Daar maakte ik een video-installatie die werd gefilmd op de Middellandse Zee en die aandacht vraagt voor de voortdurende tragedie van sterfgevallen en verdwijningen op zee.
In jouw Windowscapes zien we soms ook antiquiteiten en historische objecten. Komen die stukken uit je eigen verzameling, of zijn het werken van musea of antiquariaten?
Achter sommige van deze werken schuilt een interessant verhaal. Veel van de objecten die mij interesseren bevinden zich in grote collecties zoals het Uffizi, de Vaticaanse Musea of het Louvre, waar toegang tot hoogwaardige 3D-scans niet altijd eenvoudig is. In Noord-Europa bestaan echter nog veel historische gipsafgietsels van deze klassieke sculpturen, vooral in universitaire collecties. Ze werden ooit gemaakt zodat studenten klassieke kunst konden bestuderen zonder naar Rome, Florence of Parijs te hoeven reizen. Door de jaren heen zijn die afgietsels zelf culturele objecten geworden. Sommige instellingen bewaren ze nog steeds en staan meer open voor digitale registratie. Soms scan ik dus niet het originele marmeren beeld uit het Uffizi, maar een gipsafgietsel daarvan. Dat vind ik fascinerend omdat het een groter verhaal vertelt over de Europese cultuur: hoe vormen uit de klassieke oudheid zich via kopieën, afgietsels en reproducties over het continent hebben verspreid. Door deze objecten in een digitaal beeld op te nemen ontstaat nog een extra laag. Het werk gaat niet alleen over het antieke object zelf, maar ook over zijn reis door de tijd: van marmer naar gips, van museum naar scan, van scan naar synthetisch beeld.

In het werk Paris in Rosy Retrospection lijken we naar een boeket verwelkte bloemen te kijken, dat tegelijkertijd levendig voelt. Wat fascineert jou aan verval?
Wat op verval lijkt, is in werkelijkheid iets anders. De bloemen waren nog volledig intact toen ik ze in een straat in Parijs scande. Wat wij als verwelking ervaren, komt voort uit de scan zelf. Ik gebruikte een vereenvoudigde 3D-scantechniek die gegevens verliest en ontbrekende delen aanvult met benaderingen. Eigenlijk doet die techniek precies wat ons geheugen doet wanneer het een beeld opslaat. Daar verwijst ook de titel naar: rosy retrospection, de neiging om het verleden mooier te herinneren dan het werkelijk was. Het oppervlak roept misschien associaties op met een memento mori, maar het echte onderwerp is het mechanisme waarmee we deze bloemen later zullen herinneren.
Je werkt met media die constant veranderen en verouderen. Is er een software die nu al niet meer werkt? Met welke nieuw technologie werk je momenteel?
Eigenlijk ervaar ik eerder het tegenovergestelde probleem. Soms stel ik software-updates bewust uit, omdat een gereedschap door zo’n update ook op een andere manier beelden gaat produceren. Het is alsof een schilder jarenlang met een heel specifieke tint blauw werkt en de fabrikant om de paar jaar de samenstelling van het pigment verandert. De nieuwe versie is misschien geavanceerder, maar het blijft niet dezelfde kleur. Tegelijkertijd zie ik dat ook als een kans. Technologie verandert voortdurend en dat hoort bij het werk. Op dit moment ben ik vooral geïnteresseerd in 3D-scanning, fotogrammetrie, Gaussian splats en experimenten met nieuwe printmaterialen.
Waar kijk je op dit moment het meest naar uit? Welke projecten lopen er?
Op dit moment zit ik niet echt in een fase waarin ik uitkijk naar een volgend project. Ik werk fulltime in het atelier en experimenteer zonder de druk van een tentoonstelling die georganiseerd moet worden. Voor mij is dat een heel waardevolle periode, eentje die ik bewust heb gecreëerd. Ik heb deze tijd nodig om dingen uit te proberen zonder ze direct te hoeven omzetten in een project, tentoonstelling of deadline.
