In Little Ghetto Boy verbeeldt Mounir Eddib zijn eigen jeugd in een Genkse arbeiderswijk. In de voormalige mijnstreek in Belgisch Limburg liggen de kansen niet voor het oprapen. In Little Ghetto Boy gaat Eddib voorbij de stigma’s en laat hij zien dat er veel meer is dan alleen ellende.
De titel ontleende Eddib aan een gelijknamige hit van de Amerikaanse soullegende Donny Hathaway. Hathaway beschrijft in zijn op indringende wijze wat het betekent om op te groeien in een ghetto: een arme wijk, omgeven door stigma’s, waar minderheidsgroepen zich concentreren, vaak als gevolg van bredere maatschappelijke problemen. Met Little Ghetto Boy doet Eddib hetzelfde als Hathaway; hij brengt verhalen van een gemarginaliseerde gemeenschap onder de aandacht: van de marge naar het centrum.
In zijn werk plaatst Eddib de menselijkheid, waardigheid en veerkracht van deze vaak verkeerd gerepresenteerde gemeenschappen centraal, zonder daarbij hun kwetsbaarheid uit het oog te verliezen. Met fragmenten van ogenschijnlijk alledaagse, huiselijke scènes en straatbeelden, plaatst hij mensen aan de rand van de samenleving op de voorgrond.
Eddib preseteert zijn schilderijen en tekeningen met een gedempte palet, waarin hij tin en lood verwerkt, in verduisterde ruimte. Mede hierdoor komt het genuanceerde verhaal dat Eddib wil vertellen met Little Ghetto Boy duidelijk binnen – en zal het je lang bijblijven.
Little Ghetto Boy van Mounir Eddib is tot en met 24 mei te zien bij Galerie Ron Mandos.
Ik las dat je op 24e begon op de kunstacademie. De meeste studenten zijn dan net klaar. Kan je vertellen waarom je op die leeftijd toelating deed?
Ik zou zeggen: mektab. Het stond zo geschreven. Het lot. Voordat ik met Autonome Beeldende Kunst begon in Maastricht, had ik me aangemeld in Hasselt (Belgisch Limburg). Daar werd ik toegelaten, maar ze vonden me blijkbaar niet goed genoeg voor de richting schilderkunst die ik eigenlijk wilde doen. Ik stopte na een tijdje, want ik voelde me er niet thuis.
Mounir Eddib, Dream kin 13, 2026, Galerie Ron Mandos. Foto: Jonathan de Waart
Was het destijds een grote stap om te zetten?
Nee. Dat idee ontstaat vooral achteraf, wanneer er een verhaal van gemaakt moet worden. Mensen in mijn omgeving zagen wat ik maakte en stimuleerden me om daar iets mee te doen. Dat doet heel veel. Kunst maken is een passie, en is in die zin vanzelfsprekend voor mij.
Heeft die opleiding je perspectief op je directe omgeving veranderd?
De opleiding heeft mij een wezenlijk kunsthistorisch bewustzijn bijgebracht. Via vakken als kunstgeschiedenis en critical thinking ben ik anders naar mijn omgeving gaan kijken—niet langer als een vanzelfsprekend decor, maar als een gelaagd veld van betekenissen. Ik kwam er in aanraking met denkers als bell hooks en Sara Ahmed, wiens ideeën mijn artistieke discours mede hebben gevormd. Die theoretische bagage functioneert vandaag als een kompas: ze helpt mij mijn werk te situeren en te positioneren binnen bredere maatschappelijke en historische kaders.
Tegenwoordig heb je een atelier en een stichting in Genk, in Belgisch Limburg, de voormalige mijnstreek, een plek waar de kansarmoede vrij groot is. Ook heb je een stichting opgericht, kan je vertellen wat je met The Building beoogt?
The Building is een multidisciplinaire kunstenwerkplek waarin diversiteit en inclusie geen randvoorwaarden zijn, maar uitgangspunten. Het gaat om het creëren van een ruimte waar jonge en minder jonge lokale makers, mensen van kleur en mensen met een migratieachtergrond zich thuisvoelen. Een plek voor experiment, ontwikkeling en het opeisen van een eigen positie binnen het veld. Tegelijk wil ik vermijden dat die ruimte zich laat reduceren tot een eenduidig profiel: het is een biotoop, een lanceerplatform, een collectief dat inzet op kruisbestuiving en solidariteit.
Mounir Eddib, The Mother, 2026, Galerie Ron Mandos. Foto: Jonathan de Waart
Jouw tentoonstelling bij Ron Mandos heet Little Ghetto Boy, een verwijzing naar het nummer van Donny Hathaway. Hathaway bezingt een jeugd van leed en achterstelling, een situatie waarin je alleen iets kan veranderen als je in jezelf gelooft. Niemand anders doet het voor je. Is het leed van Belgisch Limburg en de gastarbeiders die er in jaren ’60 en ’70 neerstreken in jouw ogen vergeten?
Ik probeer binnen deze tentoonstelling net dat zware verhaal te ontwijken. Niet door het te ontkennen, maar door het te transformeren richting iets anders: mystiek, magie, een vorm van vrije verbeelding die reageert op de complexiteit van het mens-zijn. Wat mij interesseert is niet het herhalen van een eenduidig narratief van miserie, maar het openbreken ervan. Die geschiedenis is aanwezig, maar ze is niet monolithisch. Ze omvat evenzeer momenten van schoonheid, van verbeelding, van veerkracht.
De verwijzing naar Hathaway lees ik dan ook als een ruimte waarin die ambiguïteit kan bestaan: tussen zwaarte en lichtheid, tussen beperking en mogelijkheid. De Little Ghetto Boy tentoonstelling gaat dan ook niet over “gastarbeiders” zelf, maar over de maatschappelijke naschokken van de mijngeschiedenis. Het leven gaat verder, maar het verleden heeft ook sporen nagelaten in de hedendaagse maatschappij en in het landschap zelf.
We moeten uiteraard hebben over je materiaalgebruik en over de symboliek die in je werk zit. Je werkt niet alleen in Genk, jouw werk gaat ook over het Limburgs landschap en verleden. Op een aantal werken zijn bergen/terrils te zien en je werkt met tin, teer en zink. Wanneer ontstond het idee om werk te maken over jouw regio?
Mijn werk vertrekt altijd vanuit mijn directe omgeving. Ik ben opgegroeid in Genk, en die plek is onlosmakelijk met mijn praktijk verbonden. Tijdens wandelingen verzamel ik materialen uit het industriële landschap—slakken, steenafval—restanten van de mijnindustrie. Dat landschap draagt een geschiedenis van arbeid in zich. De terrils, bijvoorbeeld, zijn gevormd door wat uit de aarde werd gehaald: hoe hoger de heuvel, hoe dieper de ingreep.
Dat inzicht heeft mij doen reflecteren op wat zich onder de oppervlakte bevindt—letterlijk en figuurlijk. Vanuit die verbondenheid is het werk organisch gegroeid. Het landschap fungeert daarbij nooit als louter achtergrond, maar als actieve drager van verhalen en geschiedenissen. Zowel stedelijke als rurale contexten keren terug, en tonen hoe mensen zich tot hun omgeving verhouden. Tegelijk creëren ze een ambiguïteit van tijd en plaats: het blijft vaak onduidelijk waar of wanneer we ons bevinden. Die spanning maakt dat de beelden tegelijk specifiek en algemeen leesbaar worden.
Mounir Eddib, Rest, Floor, Home, 2026, Galerie Ron Mandos. Foto: Jonathan de WaartTegelijk heeft je werk een mysterieuze/mystieke kant die voortkomt uit het Marokkaanse mystieke denken. Ik kan me voorstellen dat niet iedereen daar evenveel over weet. Kan je daar iets meer over vertellen en hoe zich dat in je werk vertaalt?
Die mystieke dimensie is geworteld in mijn achtergrond. Als kind zag ik hoe mijn moeder lood gebruikte in beschermingsrituelen: het werd gesmolten en in water gegoten, waarna er vormen ontstonden die gelezen moesten worden. Die combinatie van transformatie en onvoorspelbaarheid heeft mij altijd gefascineerd.
In mijn werk keert die spanning terug. Lood is tegelijk beschermend en toxisch—een ambivalentie die mij interesseert. Mijn proces is in grote mate intuïtief: ik vertrek vanuit een beeld, een herinnering of een gevoel, maar tijdens het maken verschuiven en transformeren die elementen. Het gaat mij niet om representatie in strikte zin, maar om het overbrengen van een ervaring, een gevoel.
Die houding vertaalt zich ook visueel. Ik werk met beperkte kleurpaletten—meestal vier à vijf tinten—en zoek bewust naar contrast. Dat levert beelden op die tegelijk verleidelijk en licht ontregelend zijn: een wereld die zowel herkenbaar als vervreemdend aandoet, alsof ze tegelijk onttoverd en bezield is.
De tentoonstelling bij Ron Mandos is spaarzaam verlicht en de wanden zijn grijs. Houdt dat ook verband met de mystieke kant van je werk?
De wanden zijn grijs, en de vloer is donkerblauw. En ja, dat is een verlengstuk van het kleurenpalet in mijn werk. Blauwe tinten komen op verschillende manieren terug, ook in traditionele indigo doek die ik verwerk in sculpturen. Ik ga op zoek naar een bepaalde sfeer, waarbij donkerte een gevoel van geborgenheid creëert. Een intiemere ervaring dan de white cube, waarin ruimte is voor symbolisch en ritueel geladen materialen zoals lood en tin. Deze metalen hebben hun eigen glans, die zo ook meer tot zijn recht komt.
Tot slot: stel ik spreek je over 5 jaar weer, wat hoop je in de tussentijd te hebben bereikt?
Geen idee. Ik leef in het nu, dat is al moeite genoeg. Ik droom van een eigen huis met atelier, die vrijheid en onafhankelijkheid. En misschien een deeltijdse job in het onderwijs of zo. Het is stressvol om enkel als zelfstandig kunstenaar te overleven.
Mounir Eddib, Little Ghetto Boy, Galerie Ron Mandos. Foto: Jonathan de Waart