Ik ontmoette Renato Nicolodi voor het eerst bij Axel Vervoordt Gallery, naar aanleiding van Architectura Discordiae, een tentoonstelling die ik nadien beschreef als werk dat de toeschouwer niet toespreekt, maar aanspreekt. Iets in de manier waarop hij toen sprak over zijn werk deed me besluiten dat er een tweede gesprek moest komen. Eén waarbij er geen toeschouwers aanwezig waren en het atelier zelf de context was.
Enkele weken later rijd ik naar Denderleeuw. De studio van Nicolodi is geen witte kubus, geen geënsceneerde werkomgeving: het is een plek waar dingen gebeuren. Zijn gezin is er. Er liggen stenen op een kastje. Ergens staat iets dat nog geen naam heeft. We gaan zitten en hij begint te praten, zoals hij altijd lijkt te praten: met de rust van iemand die weet dat hij de antwoorden niet heeft, maar de vragen wel.
Zelfs toeschouwer zijn van je eigen werk is moeilijk, zei je ooit.
Dat klopt. Soms probeer ik het wel - maar dat is ook precies de bedoeling. Als ik werk maak, is dat vooral een uitnodiging. Een uitnodiging om de toeschouwer tot stilstand te brengen, tot reflectie. Dat is ook een deel van waarom ik werk maak: om zelf stil te kunnen staan bij het leven. Even achteromkijken. Wie ben ik geworden, en waarom? Versta me niet verkeerd. Ik leef niet in het verleden - ik leef van dag tot dag - maar met af en toe een blik achteruit. In de snelheid van ons leven is dat iets wat ik kostbaar vind. Ik doe het ook met de kinderen: als we wandelen en er is iets dat niet alledaags is, blijven we staan. Kijk daar nu eens naar. Want ja, ik ben iemand die kijkt naar de wereld. Als mensen bij mijn werk stilstaan, dan ben ik enorm dankbaar. Dat is mijn drijfveer. Mijn ideale scenario.

Moeilijk te zeggen. Ik krijg die opmerking wel vaker en ik vind het zelf ook een beetje vreemd. Ik maak immers gebruik van een archetypische vormentaal die van alle tijden en alle culturen is. Zoiets toe-eigenen is op zich al een merkwaardige situatie. Maar die herkenbaarheid heeft denk ik ook te maken met het feit dat elk werk voorafgegaan wordt door een intense ontwerpfase. Dat ontwerpen is eigenlijk het grootste deel van mijn werk. Twintig jaar geleden was dat sleuren en tekenen om iets bruikbaar te creëren. Vandaag gaat dat veel vlotter - omdat ik doorheen de jaren een taal gecreëerd heb die echt persoonlijk is. Vandaar ook mijn weerstand tegen AI: moest ik al mijn werk opladen en vragen om iets gelijkaardigs te genereren, dan krijg ik misschien een beeld, maar nooit mijn beeld. Het gaat vaak over details - hoe een trap in een muur loopt, een bepaalde hoek - elementen die je vindt door te tekenen. Dáár zit de toe-eigening.
Je studeerde schilderkunst aan Sint-Lucas. Hoe ben je bij beeldhouwkunst terechtgekomen?
Via de bunkers van de Atlantikwall. Mijn vrouw en ik - we zijn 27 jaar samen - gingen op reis naar Frankrijk. Ik zag die bunkers en ik kende ze, door de verhalen van mijn grootouders. Je kijkt anders naar dingen als je er een relatie mee hebt. Ik begon ze te schilderen, maar liep telkens (figuurlijk) tegen een muur. Het was niet omdat ik ze schilderde dat het goed werk werd. Op een bepaald moment heb ik een acrylschilderij waarover ik niet tevreden was, overschilderd met schellak en vóór de uitharding een witte olieverflaag aangebracht. De dag erna heb ik deze laag olieverf opnieuw verwijderd met als resultaat een craquelé-effect.
Puur toeval. Maar dat beeld zei me iets over materialiteit, over abstractie. Ik begon sculpturen te maken, mal na mal, afgietsel na afgietsel. Met mijn broer had ik al vanaf mijn veertiende geleerd werken met bouwmaterialen - dat was mijn basis. Het schilderen heb ik dan jaren volledig opzijgelegd. Pas recent ben ik er opnieuw naartoe gekeerd.
Wanneer heb je voor jezelf moeten toegeven dat je kunstenaar bent?
Dat is een heel moeilijke vraag - en eerlijk gezegd vind ik het dat vandaag nog altijd. Ik zeg altijd dat ik eerder werknemer ben van mijn werk. Of een verhalenschrijver. Dat perspectief zet mij als kunstenaar er een beetje buiten. En het woord zelf is ook zwaar beladen. In België zeg je dat je kunstenaar bent, en je wordt niet serieus genomen. Iemand met zijn hoofd in de wolken. In Nederland ligt dat anders - niet dat ik dáár graag kunstenaar zou worden genoemd, maar de publieke perceptie verschilt. Het is een mes dat langs twee kanten snijdt: het kan iets heel moois zijn, maar ook iets heel anders.

Een terugkerend begrip in jouw werk en in gesprekken erover is het sacrale zonder doctrine. Wat blijft er over wanneer een schrijn zijn functie verliest, een bunker zijn context?
Dat is precies de kern. Wij als mensen bouwen en creëren, overtuigd dat dit het beste is. Maar de vraag is of wij werkelijk zo goed zijn als we denken. Mijn werk verwijst naar tempels, naar religie, naar politiek - maar zonder dat het politiek of religieus is. Sacraliteit is voor mij belangrijk, maar zodra je architectuur in functie zet van iets - een kapel, een doctrine - kun je er geen afstand meer van nemen. Dat afstand nemen is net de bedoeling. Ik probeer als leek naar die zaken te kijken, te objectiveren. Ik gebruik vaak het voorbeeld van de Egyptische piramides: die cultus is verdwenen, we weten niet precies waarom bepaalde dingen gedaan werden - dus wij moeten interpreteren. Ik probeer mijn werk zodanig te maken dat het geïnterpreteerd moet worden. Als ik verwijs naar een reliek, maar het is geen reliek, dan moet je je ook afvragen: wat is het dan wél? En wat is eigenlijk een reliek?
Hoe gaat een toeschouwer om met die vrijheid? Mag de lezing volledig losgekoppeld zijn van jouw visie?
Ik heb als kunstenaar controle over het werk zelf - de ontwikkeling, de vragen die ik mezelf stel. Maar zodra ik tentoonstel, weet ik niet wie er komt kijken. Ik geef een richting, maar op een bepaald moment moet ik loslaten. Er zijn mensen die vanuit een perspectief kijken waar ik zelf nooit aan gedacht zou hebben. Ik heb daar geen controle over en ik ambieer die controle ook niet. Het werk moet op zichzelf kunnen staan, de toeschouwer uitnodigen om even mee te wandelen - maar dan zijn eigen verhaal. Ik weet waarom ik het maak, mijn beweegredenen zijn voor mij heel duidelijk. Maar wat het ermee doet, dat hebben we als kunstenaar niet in de hand.
Sommigen zouden zeggen dat sacraliteit zonder inhoud een esthetische truc is - een gevoel van diepte zonder de verplichting van betekenis. Hoe verdedig je je daartegen?
Ik weet niet of ik me daartegen moet verdedigen. Wat ik wél weet, is dat ik het vanuit authenticiteit doe. Vanuit een overtuiging die gemeend is. Alles kun je in het belachelijke trekken - en een toeschouwer die daar zo tegenover staat, zal er ook aan voorbijlopen. Dat is iets wat je ook moet loslaten. Wat voor mij telt is de context: waar het werk staat, hoe het geplaatst is, welke ruimte eromheen zit. Een donkere ruimte achter een sculptuur, waarvan je het einde niet ziet - dat is iets visueel dat je kunt sturen. Maar de rest: dat is van de toeschouwer.
Bij Axel Vervoordt Gallery maakten we kennis met Hybris - massief en toch gedoemd te vallen. Was het uiteenvallen van dat werk een verlies voor jou?
Er zit een heel relativerend aspect in, en dat relativeren zit ook wel in mij als mens. Ik wil niet op een voetstuk staan - ook mijn werk niet. Het zijn bouwstenen, ideeën. Net zoals je door het leven ouder wordt en mensen teleurstellen of verrassen: alles is voer tot relativering. Hybris vertrekt vanuit de absurditeit van wat ons mens-zijn is. Wij bouwen, wij zijn overtuigd van ons eigen gelijk - maar ondertussen ruïneren wij onze wereld. Grote culturen, Romeinen, Egyptenaren, zijn gedoemd te verdwijnen. Ons kapitalistisch systeem ook. Wij leven in een tijdperk dat eindig is. Je kwam de tentoonstelling binnen en zag een symmetrische wand die omhoog rees, met licht vanachter door de koepel. Imposant. Maar zodra je een kant koos en rondliep, zag je dat die wand afbrokkelde. Gedoemd om te vallen. De installatie bestond uit 210 elementen. Die zwermen nu uit als een spoor van een groter geheel.
Een spoor - dat is ook het thema van je scriptie, destijds.
Ja. Ik had een jaar geschreven om mijn werk binnen de filosofie te plaatsen, en telkens ik een nieuw boek opensloeg, liep ik tegen een nieuwe muur. Twee weken voor de deadline heb ik alles gedeletet en gewoon mijn verhaal geschreven. Over verhalen - die van mijn grootouders, mijn ooms- beelden en sporen. Want als ik ga wandelen en ik zie een steen of een stokje: dat stokje is een deel van een bepaalde boom, maar de manier waarop het daar ligt, geërodeerd - dat is een spoor van een groter geheel. Ik neem die mee. Mijn grootvader was ook verzamelaar. Die hield alles bij - Ikea-boekjes, alles. Toen hij overleed, ben ik van de ene dag op de andere gestopt met verzamelen. Wat heeft het voor zin, dacht ik. Tot onze kinderen thuis kwamen met hun zakken vol stenen. En ik begon opnieuw.

Die verwondering - is dat de motor?
Ja. Een leraar zei ooit in de klas: je moet altijd denken dat je een Marsmannetje bent, en alles voor de eerste keer ziet. Dat heeft me nooit losgelaten. Mijn werk is zwaar - fysiek en inhoudelijk - maar tegelijkertijd heeft het ook iets luchtigs. Die verwondering is de tegenstrijdigheid. Ik zei het vroeger ook altijd tegen mijn studenten: er ligt een steen voor je voordeur die je elke dag wegschopt. Diezelfde steen op vakantie, en je vindt hem prachtig. Dat kijken - ik probeer me elke dag te verplichten daartoe. Maar mooi weten vinden, betekent ook weten waarom. En daartegenover staat altijd het lelijke. Ons leven bestaat alleen maar uit contrasten.
Dan je kunstboeken. Een tentoonstelling verdwijnt, hybris wordt een echo - maar scripta manent. Hoe verhouden de boeken zich tot het werk?
Een boek is voor mij ook een kunstwerk op zich. Ik kan er dingen in kwijt die ik in een tentoonstelling zelden of niet kan tonen. De hommages in het eerste boek, het zwarte boek: dat zijn mijn beweegredenen. Ik geef de toeschouwer net iets meer inkijk dan ik in een zaal zou doen. Zoals die superachtfilmpjes van mijn grootvader op een bouwproject: zijn archief geprojecteerd op stenen als stromend water. Het komt erop en het verdwijnt - net zoals een leven iets heel vluchtig is. En in het nieuwe boek: het verhaal van mijn oom Guido. Iemand zei me dat hij erin geslopen is als onkruid. En dat klopt. Hij is er toch in geslaagd om een nieuw boek binnen te dringen. Voor mij was het ook iets rechtzetten - een schuld, ergens. Ik ben heel blij dat het er nu in staat.
Het boek is niet chronologisch opgebouwd. Hoe is de compositie tot stand gekomen?
Samen met Onno Hesselink, de ontwerper. We zaten naast elkaar en zochten naar een compositie - rizomatisch, net zoals het ontwerpen van een werk zelf. De opeenvolging, het ritme, de plaatsing van de teksten in relatie tot de beelden: daar zit een beweging in. Niet echt een narratief, maar toch een weg.
En Paul Virilio - zijn naam duikt op in het begin van je praktijk én in het nieuwe boek.
Virilio is het allerbegin. Alles is beginnen rollen door het lezen van Bunker Archéologie. Hij was urbanist én filosoof, en wat me vooral bijgebleven is: hij beschrijft de context van de bunkers uitvoerig, maar op het einde zegt hij - je moet die bunker ook kunnen bekijken, volledig los van zijn context. Dat is voor mij de toelating geweest om er iets mee te doen. Want ik ben altijd bang geweest om verkeerd begrepen te worden. Er was een kunstenaar die me eens "fascist" toeriep. Dat blijft hangen. Er is een museum in Frankrijk dat mijn werk geweigerd heeft - te risicovol, te gevoelig. Dat element zit in mijn werk, en dat weet ik. Maar Virilio heeft me de vrijheid gegeven om dat risico te dragen. Zijn boek is het enige dat ik twee, drie keer gelezen heb - in het Frans nog, terwijl ik het Frans niet mijn sterkste taal noem. Maar het was onvermijdelijk.
Wat ligt er nu op je nachtkastje?
Te weinig, eerlijk gezegd. Ik koop veel boeken, sla ze open, lees een paar pagina's - en kom er niet toe om ze echt uit te lezen. Er lagen onlangs een paar boeken van Jung bij. Boeken die ik ooit nog eens zou moeten lezen. Mijn boeken zitten trouwens momenteel allemaal opgeborgen in dozen - een tussentijd. Vroeger wist ik van: mijn boeken staan daar. Nu denk ik dat ik al boeken dubbel heb gekocht. Maar ja - dat is ook een spoor, op zijn manier.