In ‘A gust of wind gives voice to the trees' brengt Namuso Gallery in Den Haag vier kunstenaars samen die op het eerste gezicht weinig gemeen lijken te hebben: een jonge Koreaanse schilder, een Nederlandse textielkunstenaar, een schilder die gras bestudeert en een Nederlandse abstractionist die zijn land vertegenwoordigde op de Biënnale van Venetië. De tentoonstelling is een samenwerking tussen Namuso Gallery en Dürst Britt & Mayhew en werd gecureerd door Jaring Dürst Britt en Alexander Mayhew.
Wind verschijnt in geen van de werken als expliciet motief en toch wordt de tentoonstelling getekend door beweging, als een onzichtbare factor die vorm geeft aan de werken. Die paradox zegt iets over het vermogen van abstracte kunst om meer te tonen dan ze afbeeldt, om een ervaring op te roepen zonder haar vast te leggen, om het ongrijpbare en onzichtbare voelbaar te maken. Vanuit die gedachte ontstaat er een brug tussen Oost-Aziatische minimalistische tradities en Europese abstractie. In beide contexten speelt reductie een belangrijke rol als manier om aandacht te richten op materialiteit, tijd en aanwezigheid. Door deze praktijken naast elkaar te plaatsen, laat de tentoonstelling zien hoe verwant die gevoeligheden kunnen zijn.
Lee Chae (1989, Zuid-Korea) werkt in zijn schilderijen met olieverf op doek via een proces van opbouwen en wegvegen. Het uiteindelijke beeld ontstaat niet door toevoeging, maar door wat na verloop van tijd overblijft. Sporen van druk, herhaling en duur nestelen zich daarbij in het oppervlak. Lee toonde zijn werk onlangs nog in een duo-presentatie met Lee Ufan bij Whitestone Gallery in Hongkong en zijn werk is opgenomen in de collectie van het National Museum of Modern and Contemporary Art in Seoul.
De praktijk van Maja Klaassens (1989, Nieuw-Zeeland) volgt een verwante logica. Haar grasschilderijen weerspiegelen geen concreet landschap, maar worden opgebouwd door middel van nauwgezette observatie en gedisciplineerde herhaling. Die schijnbare eenvoud is misleidend: de weelderigheid en uniformiteit van het gras maken de werken tegelijkertijd realistisch en licht onwerkelijk. Klaassens studeerde aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag en behaalde daarnaast een master in de Kunstgeschiedenis aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Haar werk is opgenomen in de collecties van Museum Voorlinden en De Nederlandsche Bank en een van haar graswerken werd recent aangekocht door de AkzoNobel Art Foundation.
Paul Beumer (1982, Nederland) benadert schilderkunst vanuit een heel ander materiaalveld. In plaats van verf en doek werkt hij met textiel en vezels, vaak geproduceerd in samenwerking met ateliers in onder meer India en Zuidoost-Azië. Door stoffen te verven, vouwen, stapelen en samen te voegen ontstaat een beeldtaal waarin beweging zich letterlijk in het materiaal verankert, met aandacht voor de culturele, materiële en symbolische elementen van het textiel. Zijn praktijk is geworteld in jaren van leven en werken in uiteenlopende landen (waaronder China, Nigeria, Japan, Maleisië, Sri Lanka en India) en in de kennis van lokale textieltradities die hij daar opdeed. Na zijn opleiding aan de Koninklijke Academie Den Haag rondde hij een residency af aan de Rijksakademie van beeldende kunsten in Amsterdam. Zijn werk was eerder te zien in Kunstmuseum Den Haag, het Fries Museum en Museum Kranenburgh.
Willem Hussem (1900–1974, Nederland) vormt de historische as waar de andere drie praktijken omheen draaien. Binnen zijn multidisciplinaire praktijk ontwikkelde hij een vorm van abstractie waarin balans, spanning en ruimtelijk bewustzijn centraal staan. Met minimale middelen wist de kunstenaar beweging en atmosfeer op te roepen, en tegelijkertijd een voelbare stilte. In zijn denken speelde onder meer het zenboeddhisme een belangrijke rol. Hussem vertegenwoordigde Nederland op de Biënnale van Venetië in 1960 en stelde zijn werk onder andere tentoon in Kunstmuseum Den Haag, Stedelijk Museum Amsterdam en Museum Boijmans Van Beuningen, die zijn werk ook in hun collecties opnamen.