Het kleine biedt me de kans een weg te vinden om het grotere te ervaren. Deze zin begroet je als bezoeker op de website van Wim Nival. Geen statement in kapitalen, geen uitleg, geen context. Alleen die ene gedachte, sober geformuleerd, bijna terloops. Achteraf gezien had ze al voldoende kunnen zijn om te blijven hangen. Maar pas wanneer ik zijn werk voor het eerst fysiek ontmoette, kreeg die zin gewicht.
Die kennismaking vond plaats bij Settantotto. Kleine werken, bescheiden ingrepen, materialen die hun geschiedenis meedragen zonder ze te etaleren. Niets drong zich op. Alles vroeg tijd en de enthousiaste uitleg van de galerijhouder.
Het citaat op zijn website begon zich daar te gedragen als een sleutel. Niet als uitleg bij het werk, maar als een houding die zich doorheen het oeuvre liet voelen. Het kleine als doorgang. Als manier om het grote niet te benoemen, maar te benaderen. Niet via het spectaculaire, maar via aandacht, herhaling, stilte.
Die ervaring – de samenkomst van die ene zin en de concrete ontmoeting met het werk bij Settantotto – was voldoende voor mij om een gesprek te willen aangaan. Niet om het werk te laten verklaren, maar om te begrijpen hoe zo’n praktijk ontstaat. Wat voorafgaat aan die soberheid. Waar die traagheid vandaan komt. Hoe een leven zich langzaam vertaalt in vormen, gaten, lijnen en ritmes.
Het gesprek in het atelier van Wim Nival ontvouwde zich zoals zijn werk groeit: zonder vast plan, met omwegen, met stiltes die niet opgevuld hoefden te worden. Wat volgt is geen duiding bij een oeuvre, maar een dialoog over jeugd en vorming, over verzamelen en loslaten, over tijd, wandelen en verwondering. Over kunst niet als resultaat, maar als manier van leven.

Je bent ondertussen vijfendertig jaar bezig als kunstenaar. Voor wie je werk nog niet kent: kun je die jaren samenvatten?
Voor mij is kunst eigenlijk altijd een manier van leven geweest. De werken die eruit voortkomen zie ik als sporen van die manier van leven. Ik denk niet zo resultaatgericht. Het gaat om een proces van bezig zijn, van kijken, van handelen, en daaruit ontstaan dan dingen. Dat is eigenlijk altijd zo geweest.
Was die drang er al vroeg?
Ja. Zolang ik mij kan herinneren wilde ik kunstenaar worden. Als kind was ik altijd aan het tekenen, schilderen, knutselen. Dat was geen fase. Dat was gewoon wie ik was. Maar ik ben van een generatie waarin je niet zomaar rechtstreeks naar een kunstopleiding mocht. Ik wou eigenlijk meteen naar Sint-Lucas maar dat kon toen niet. Dus moest ik eerst een klassiek diploma halen.
Je volgde een wetenschappelijke richting.
Inderdaad. Ik heb wiskunde-wetenschappen gestudeerd, in een college naast Sint-Lucas. Dat was achteraf gezien geen verloren tijd. Ik keek vanuit mijn klaslokaal uit op de Beeldentuin van Sint-Lucas. Elke les zat ik daar letterlijk naartoe te kijken. Ik wist: daar moet ik zijn. Toen ik achttien was en vrij mocht kiezen, ben ik meteen naar Sint-Lucas gegaan, nu LUCA. Dat was een soort thuiskomen.
Je begon met schilderkunst.
Ja, schilderkunst was mijn opleiding. Objectkunst kwam toen nauwelijks aan bod. Maar vrij snel ben ik geëvolueerd naar een meer minimale benadering. Op een bepaald moment schilderde ik op oude bladen, en toen besefte ik: het materiaal waarop ik schilder is zelf al een drager met betekenis. Dat was een kantelpunt. Van daaruit ben ik met papier, boeken, karton beginnen werken, en later ook met hout, ijzer, gevonden objecten.

Je atelier staat vol materiaal. Hoe verhoud je je tot dat verzamelen?
Ik verzamel veel. Ik ga elke week naar de kringwinkel, rommelmarkten, tweedehandszaken. Maar het is geen verzamelen om te bezitten. Het zijn dingen die mij aanspreken, die iets in zich dragen. Soms weet ik meteen wat ik ermee wil doen, soms blijven ze jaren liggen.
Hoe weet je wanneer iets ‘het juiste’ materiaal wordt?
Dat gebeurt intuïtief. Vaak werk ik met trial and error. Ik leg dingen op de grond, maak combinaties, kijk er dagen of weken naar. Niets wordt meteen vastgekleefd of vastgezet. Pas wanneer ik voel dat het beeld klopt, gebeurt dat. En soms gebeurt het ook helemaal niet.
Dat vraagt een grote mate van geduld.
Ja, maar het is geen geduld als bij wachten. Het is eerder toelaten. Sommige potentiële werken liggen hier een jaar met elastiekjes bijeen. Thijs (Dely- galeriehouder Settantotto) is hier ooit geweest, zag zo’n sculptuur liggen en zei: dat wil ik graag tonen. Maar voor mij was het nog niet af. Als ik niet voel dat het moment daar is, gebeurt het niet. Ook niet voor een tentoonstelling.
Je werk wordt vaak minimalistisch genoemd. Hoe kijk je daar zelf naar?
Ik kan met die term leven. Voor mij gaat het over het kleine zien, het stille, datgene waaraan voorbijgelopen wordt. Ik probeer altijd een evenwicht te vinden tussen de materialen die ik vind en de ingrepen die ik doe. Die ingrepen zijn minimaal, maar ik hoop dat het werk nooit als koel en afstandelijk ervaren wordt. Er is enerzijds het materiaal, en anderzijds de handeling en de reflectie die de menselijke maat er in houden.

Dat fragiele is belangrijk. Het hoeft niet luid te zijn. Ik geloof niet dat kunst altijd moet roepen om aandacht. Soms volstaat een fluistering.
Hoe belangrijk is de ruimte waarin je werk getoond wordt?
Zeer belangrijk. De ideale plek is eigenlijk het atelier, maar eens het werk naar buiten gaat, wordt de ruimte bepalend. Ik neem nooit een vast plan mee. Ik begin met één werk en bouw van daaruit verder. Het is al gebeurd dat ik op het einde het eerste werk weer weghaal, omdat het geheel intussen een andere richting is uitgegaan.
Ontstaat er dan een dialoog tussen de werken?
Ja, onvermijdelijk. Elk werk kan op zichzelf staan, maar zodra je dingen naast elkaar zet, ontstaat er een relatie. Ik kijk dan naar kleur, lijn, ritme, inhoud. Wat gebeurt er tussen deze werken?

In je werk met boeken en perforaties speelt afwezigheid een grote rol.
Dat klopt. Soms kies ik bewust een boek omwille van de titel. Die leen ik dan als het ware van de auteur. Zoals het boek “Pensées” van Blaise Pascal. Door te perforeren wordt het object tegelijk aanwezig en afwezig. Je kijkt erdoor. Wat is dan nog het werk? Wat er is, of wat verdwenen is? Die contradictie vind ik boeiend.
Dat raakt ook aan een filosofische laag.
Zeker. Ik ben veel bezig met het zijn van de dingen. Wat betekent het dat iets er is? Een tafel lijkt solide, maar is eigenlijk een trilling van moleculen. Wat is aanwezigheid precies? En wat is afwezigheid? Dat spanningsveld interesseert me enorm.
Wat als de interpretatie van de kijker niet overeenkomt met jouw intentie?
Dat vind ik geen probleem. Integendeel. Mensen kunnen geraakt worden door iets wat ik er niet bewust heb ingelegd. Ik vergelijk het vaak met een icoon: het object op zich heeft geen waarde, maar door de dialoog tussen het kijken en het bekeken worden krijgt het betekenis. Ik wil niet opleggen wat iemand moet zien.
Je werkproces is zeer traag en repetitief.
Die traagheid is essentieel. Bij het perforeren bijvoorbeeld ga je gaatje per gaatje. Na een tijd kom je in een ritme terecht. Dan denk je niet meer bewust na. Alles valt weg behalve jij, het materiaal en de handeling.
Denkt de hand dan nog?
In het begin wel. Je moet letterlijk weten hoe vaak je moet kloppen, hoe het materiaal reageert. Maar daarna neemt het ritme het over. Eén, twee, drie. Dan wordt het bijna automatisch. Dat is een toestand die ik heel belangrijk vind.

Tijd lijkt een terugkerend thema in je werk.
Tijd houdt mij sterk bezig. Ik heb ooit een werk – een ingreep in de publieke ruimte - gemaakt met enkel de woorden ‘gisteren’ en ‘morgen’. Dat ging voor mij over niet blijven hangen in het verleden en niet te veel in de toekomst zitten, maar over wat je nu aan het doen bent. Over aanwezigheid.
Het valt me ook op dat je tijdens dit interview veel gesproken hebt over wandelen.
Ik wandel elke dag, vaak dezelfde route. En toch zie ik elke dag iets anders. Dat is voor mij ook een aandachtoefening. Verwondering is voor mij essentieel. Als die verdwijnt, stopt alles.
Tot slot. Als je terugkijkt op vijfendertig jaar kunstenaarschap, wat blijft dan overeind?
De verwondering. De aandacht voor het kleine. Het besef dat wat we doen belangrijk is, maar tegelijk ook relatief. We zijn maar een puntje in een groter geheel. En misschien is dat net bevrijdend.