Rewilding is het herstellen van ecosystemen door de natuur weer haar vrije gang te laten gaan – niet sturen, maar loslaten. Geen strakke lijnen, geen menselijke controle, maar ruimte voor spontane groei, verval en verrassing. Waar rewilding meestal over bossen, rivieren of graslanden gaat, zijn er ook kunstenaars die dit principe toepassen. Steeds vaker kiezen kunstenaars ervoor om die strak gecontroleerde omgeving van de white cube — die iconische, klinisch witte tentoonstellingsruimte — open te breken, op zoek naar manieren om het wilde, het organische en het onvoorspelbare opnieuw toe te laten in de kunstcontext. Rewilding van de white cube betekent in die zin méér dan het simpelweg binnenbrengen van natuurlijke materialen: het gaat om het herdenken van onze relatie tot natuur, het loslaten van controle en het ruimte geven aan verval, groei, symbiose en zintuiglijke ervaring.
Op Art Rotterdam (28-30 maart in Rotterdam Ahoy) tonen meerdere kunstenaars werk dat deze herintroductie van het wilde belichaamt. Hun benadering varieert van het letterlijk incorporeren van zwammen, zaadjes en schelpen tot digitale reconstructies van gecultiveerde jungles en kritische reflecties op koloniale categorisatie van natuur. Wat ze delen, is een verlangen om de grenzen tussen cultuur en natuur te vervagen — en zo de white cube opnieuw wortel te laten schieten in de wereld buiten haar muren. In dit artikel lichten we vijf kunstenaars uit die de kunstwereld een stukje wilder maken.
Stefano Caimi toont zijn serie ‘Polypore’ in de booth van The Flat – Massimo Carasi op Art Rotterdam. De sculpturen zijn geïnspireerd op de manier waarop zwammen zich op boomstammen vormen. “Wanneer ik in het bos ben, verwonder ik me telkens weer over de bloei van zwammen op boomstammen,” vertelt hij. Voor deze reeks gebruikt Caimi echte paddenstoelen, die eerst worden behandeld met een geleidende verf op basis van grafiet. Vervolgens ondergaan ze een elektrolytisch proces waarbij een dunne laag koper zich op het oppervlak afzet. Het resultaat zijn verfijnde, glanzende objecten waarin het organische materiaal bewaard blijft onder een dunne, metalen huid. “Ik heb computationele systemen altijd gebruikt als instrumenten voor esthetisch onderzoek,” zegt hij. “Het idee dat je het materiaal van een object kunt veranderen, fascineert me.” In deze werken wordt de zwam zowel onderwerp als drager: een symbool voor transformatie en de natuurlijke kringloop van verval en vernieuwing. Caimi laat op subtiele wijze zien hoe belangrijk de rol van schimmels is binnen ecosystemen, als onzichtbare krachten die zorgen voor evenwicht en herstel.
Verbeelding en humor spelen een belangrijke rol in het werk van Bram de Jonghe, te zien in de booth van DMW Gallery. In dit werk combineert hij HEPA-filters met schelpen – een onverwachte en poëtische ontmoeting tussen technologie en natuur. Een HEPA-filter (High Efficiency Particulate Air) is ontworpen om microscopisch kleine deeltjes zoals stof, pollen en bacteriën uit de lucht te verwijderen. Ze komen voor in stofzuigers, vliegtuigen en medische apparatuur, en symboliseren de menselijke drang om controle uit te oefenen over onze omgeving. Door deze functionele technologie te verweven met fragiele, organische schelpen, ondermijnt De Jonghe op speelse wijze dit idee van beheersing. Wat ontstaat is een hybride object dat balanceert tussen kunstmatig en natuurlijk, nutteloos en betekenisvol – en daarmee onze neiging tot categoriseren en ordenen subtiel op de hak neemt.
De werken van Claudy Jongstra zijn direct herkenbaar door haar kenmerkende gebruik van wol en natuurlijke pigmenten. De kunstenaar creëert poëtische, gelaagde en sculpturale wandwerken en installaties die ons uitnodigen na te denken over de complexe wisselwerking tussen mens en natuur. Daarvoor verwerkt ze wol tot vilt, een van de oudste vormen van textiel. Dat is niet een willekeurig gekozen materiaal, het staat bekend om haar beschermende eigenschappen en vormt daarmee een krachtige metafoor. Het is bovendien een bijzonder materiaal dat een unieke combinatie van eigenschappen bezit die niet chemisch of synthetisch na te bootsen is. Jongstra’s praktijk is gestoeld op diepgaand materiaal- en kleuronderzoek, en op historisch onderzoek naar verf- en ambachtstechnieken uit onder andere de 15e en 16e eeuw. Ze maakt ook gebruik van innovatieve hedendaagse technieken — altijd met een diep respect voor mens, (cultuur)geschiedenis en doorgegeven kennis, en bovenal: de natuur. De artistieke praktijk van Jongstra is een voortdurend onderzoek naar de relatie tussen kunst, ecologie, duurzaamheid en activisme. Haar holistische benadering van materialen komt tot uiting in haar eigen (grotendeels) circulaire productieketen, met een eigen kudde van meer dan honderd zeldzame Drentse heideschapen, het oudste ras van Noord-Europa. Ze gebruikt pigmenten die afkomstig zijn uit planten in haar gespecialiseerde biologisch-dynamische tuin, waarmee ze meteen bepaalde soorten beschermt en het verlies van biodiversiteit in de omgeving tegengaat. De zelfvoorzienende werkwijze van haar studio gaat verder dan een ecologisch statement: het is een pleidooi voor het herwaarderen van ambacht en biodiversiteit, waarden die steeds meer onder druk staan in een maatschappij die gedomineerd wordt door effiency en (over)consumptie.
Margit Lukács & Persijn Broersen, een kunstenaarsduo dat sinds 2001 samenwerkt, toont in de Projections sectie op Art Rotterdam het werk 'I Wan'na Be Like You’. Daarmee geven ze op interessante wijze invulling aan rewilding, in een digitaal proces. Het kunstenaarsduo speelt in hun werk met verschillende spanningsvelden. Ze houden zich bezig met de manieren waarop fictie de realiteit dicteert, en vice versa, maar kijken ook naar de relatie tussen mensen en hun directe omgeving: de natuur, maar ook de samenleving. Hoe wordt deze relatie beïnvloed door de grote hoeveelheid aan media die we dagelijks, bewust en onbewust, consumeren? De kunstenaars willen in hun werk laten zien hoe realiteit, fictie en (massa)media intrinsiek met elkaar verweven zijn. Dat benadrukken ze door gefilmd of gefotografeerd beeldmateriaal te combineren met digitale animatie en beelden uit de media. Hun werken vormen zelf ook vaak parallelle werelden, die meestal een afspiegeling vormen van onze maatschappij en visuele cultuur. Ze zijn daarbij in het bijzonder geïnteresseerd in de manieren waarop mensen natuur ervaren en construeren. Het werk 'I Wan'na Be Like You’ vormt een kritisch onderzoek naar het westerse beeld van de jungle: ‘onontdekt’ en ‘puur’ en een symbool van verlangen voor koloniale machten. De film werd gerealiseerd door een complex proces van fotogrammetrie, 3D-moulding, motion capture en CGI. Het resultaat is een virtuele representatie van deze ‘veroverde wildernis’, gebaseerd op duizenden foto's die de kunstenaars namen in tientallen bekende Europese botanische tuinen, waaronder Kew Gardens bij Londen en Jardin des Plantes in Parijs. Daarbij werden juist ook de naambordjes van de planten meegenomen, zodat de kunstmatigheid ervan benadrukt wordt. De ‘wildernis’ op deze foto’s is dan ook vooral de ‘veroverde’ wildernis zoals die door het westen is geselecteerd, gecategoriseerd en geconserveerd.
In de film dient deze digitale reconstructie van de natuur als decor voor een dansende avatar, een mysterieuze geestachtige verschijning, niet helemaal mens, die de choreografie van Andreas Hannes uitvoert. De avatar beweegt op een nieuwe versie van 'I Wan'na Be Like You (The Monkey Song)’ uit de Disneyfilm Jungle Book (1967), opnieuw geïnterpreteerd door David Lukács als eerbetoon aan de New Orleans jazztraditie waar Disney van ‘leende’. Daarnaast hebben Jamal Bijnoe en Orlando Ceder van het Black Harmony koor de melodie herschikt tot het nummer 'Na Mi’ (‘Ik Ben’ in het Sranang, een taal die wordt gesproken in Suriname), een krachtige aanklacht tegen de racistische en koloniale ondertonen van het origineel en tegelijkertijd een viering van hun voorouderlijke geschiedenis. Het werk reflecteert daarmee op de exploitatie en categorisatie van de natuur (en mens) door koloniale machten en de doorwerking hiervan in onze huidige tijd.
Vergankelijkheid speelt een belangrijke rol in de praktijk van Gerda Maas, wier werk te zien zal zijn in de booth van Janknegt Gallery. Zo verzamelt ze zaadjes die uit bomen gevallen zijn, maar ze verwerkt ook andere kwetsbare materialen als wol en rijstpapier of andere dingen die ze in de natuur vindt. Elk fragiel materiaal wordt zorgvuldig gehuld in polymeer, een mengsel van hars en kunststof, en vervolgens met een rand van 23-karaats bladgoud omzoomd, als een rituele veredeling van het alledaagse. De afzonderlijke onderdelen worden met spelden of flinterdun metaaldraad aan elkaar verbonden, waardoor er op de muur een zweem van beweging ontstaat, een visuele echo van dwarreling. Maas zien hoe ook het meest delicate een plek kan opeisen – niet door te overheersen, maar door stil te fluisteren
Bekijk hier de volledige catalogus voor Art Rotterdam en koop hier je tickets