Er zijn kunstenaars die de wereld in fragmenten vatten, als een verzameling losse scènes die slechts bij elkaar worden gehouden door een toevallige samenloop van tijd en ruimte. En er zijn kunstenaars die, als cartografen van het onbestemde, de lagen van het geheugen en de verbeelding over elkaar heen laten schuiven tot er een werkelijkheid ontstaat die tegelijk vervormd en onthutsend herkenbaar is. Bas Coenegracht behoort voor mij tot die laatste categorie. Zijn schilderijen zijn niet enkel visuele composities, maar dragers van een innerlijke beweging, een voortdurende oscillatie tussen verschijnen en verdwijnen, tussen materialiteit en droom.
Coenegracht (Maastricht, 1974) woont en werkt momenteel in Amsterdam. Hij heeft zich ontwikkeld tot een schilder die zijn figuren niet zomaar neerzet, maar laat ontstaan uit de materie zelf. Zijn doeken zijn opgebouwd uit fotografische referenties, herinneringen en een gelaagde schildertechniek waarin hij acrylverf zowel met kwast als spatel opbrengt. Soms dun en vloeibaar, soms dik en pasteus. Zijn thematiek schommelt tussen migratie, introspectie en het sublieme — een poging om het menselijke bestaan niet enkel af te beelden, maar het voelbaar te maken in de huid van de verf.
In de tentoonstelling 'I Have More Souls Than One' (Uitstalling Art Gallery in MAD Gallery in Polen) verkent Coenegracht de meervoudigheid van het zelf. Zijn figuren bewegen tussen realisme en abstractie, tussen droombeelden en documentaire restanten. Ze verschijnen in felgekleurde omgevingen die evenzeer mentale landschappen als fysieke plekken zijn. Dit is geen statische kunst, geen vastgelegde anekdote, maar een voortdurende beweging — zoals de mens zelf, zoals de herinnering die nooit stil blijft staan.

Ik heb meer zielen dan één
De expo ontleent zijn naam aan een gedicht van de Portugese dichter Fernando Pessoa ‘I have more souls than one’. Maar er is ook een enorm doek van 2 op 3 meter met dezelfde naam. Er hangt een glans over het doek, een natte waas die niet verdampt en die de ganse ruimte vult. Alsof het nog steeds aan het ontstaan is, alsof de verf, eenmaal opgebracht, blijft ademen onder het licht. Bas Coenegracht schildert niet slechts gezichten of lichamen, maar tijdlagen — gelaagdheden van verzet, van herinnering, van iets dat beweegt tussen het geweten en de droom. Je voelt hoe zijn beelden zich net buiten het bereik van de duidelijke betekenis ophouden, hoe ze weigeren om eenduidig te zijn.
Er staat een groep figuren in het beeld, deels herkenbaar, deels opgelost in iets dat lijkt op zonlicht maar evengoed een vlam kan zijn. De kleuren schemeren als natte pigmenten op een oude fresco, versleten door adem en wind. Een geel waas doemt op als een rookgordijn, of als een sluier die slechts met moeite doorbroken kan worden. Ze staan daar, samengedrongen, hun lichamen deels gevormd, deels uitgeveegd, in de strijd tussen verschijnen en verdwijnen.

Een landschap van schimmen
Enkele figuren trekken aan een doek — een net, een restant van iets dat misschien ooit bescherming bood maar nu een verwrongen last lijkt. Het is geel, haast goud, maar niet in de kleur van triomf. Eerder in de kleur van iets dat te lang in de zon lag, dat geschroeid werd, dat door de tijd werd aangeraakt.
Deze figuren, deze zielen, staan in een landschap dat zich nauwelijks laat vastpinnen. Soms lijkt het een strand, soms een vlakte, soms slechts een plek waar lucht en stof elkaar raken. De ene figuur lijkt in de ander over te vloeien. Ze zijn zwervers, migranten, overlevenden. Ze kijken ons aan zonder ons aan te kijken, hun ogen verzonken in een lege werkelijkheid die aan de onze grenst maar er nooit helemaal in opgaat.
Coenegracht vertrekt vanuit een fotografisch document, maar in de herhaling, in de overschildering, raakt de zekerheid van dat document verloren. Het doek wordt een plek waar tijd samenklontert, waar mensen blijven stilstaan terwijl de verf rondom hen blijft vloeien.

Een taal van kleur
Er is iets met de kleuren. Je zou verwachten dat ze troosten, dat het felle blauw en het brandende geel de melancholie zouden breken, maar het tegendeel is waar. De kleuren lijken te branden vanuit een onderlaag, ze zijn niet aangebracht om het doek te vullen maar om er iets onderuit te laten spreken. Dit is geen palet van harmonie, maar een chromatisch protest: kleur die weigert tot rust te komen, kleur die beweegt in het oog, als iets dat zich niet laat wegdenken.
In dit kleurgeweld wordt de mens vervormd. Soms lijkt een gezicht even tevoorschijn te komen uit de verf, om dan weer opgelost te worden in het schilderkundige geweld eromheen. De randen van de figuren zijn nooit scherp, nooit definitief. Er is altijd een overloop, een vaagheid die hen in beweging houdt. Hun huid bestaat uit meerdere lagen pigment, hun houdingen suggereren actie, maar ook het moment net na de actie — het moment waarop iets is gebeurd, maar de echo ervan nog nadreunt.
De figuren torsen een zekere last, een vermoeidheid die niet enkel fysiek is. Het zijn denkers, dwalers, mensen die ergens vandaan komen en ergens naartoe gaan, maar het midden ervan lijkt eindeloos te duren. Ze bevinden zich in een voortdurende overgang: tussen beweging en stilstand, tussen materialiteit en vervluchtiging, tussen verzet en overgave.

De veelheid van het zelf
De titel van deze tentoonstelling, 'I Have More Souls Than One', is voor mij dan ook een ode aan de Portugese dichter Fernando Pessoa. “Ik ben vandaag iemand, en morgen een ander,” schreef Pessoa, die zichzelf verdeelde in meerdere schrijverspersonae. Misschien is dat ook wat hier gebeurt — een schilderkunst waarin de mens meervoudig wordt, waarin het individu zich niet langer als een gesloten eenheid manifesteert, maar als een wezen dat blijft verschuiven.
Misschien is dat wat deze schilderijen zo ongrijpbaar maakt: ze zijn momentopnames van een proces, maar nooit van een eindpunt. Er is een voortdurende spanning tussen verschijnen en oplossen, tussen wat herinnerd wordt en wat vergeten dreigt te raken.
En zo kijk je naar deze werken zoals je naar een herinnering kijkt. Je denkt dat je het beeld kent, dat je het begrijpt, maar telkens als je er opnieuw naar kijkt, verschuift er iets. De kleuren wringen zich los uit hun contouren, een figuur lijkt plots op te doemen uit de achtergrond, een gezicht duikt op en verdwijnt weer in de chaos van het penseel.