Sommige fotografen maken tijdens hun carrière een handvol iconische beelden. Ze wisten precies dat ene moment, net dat gebaar, of die oogopslag te vangen om voor altijd herinnerd te worden. Anderen maakten een serie die het onbetwiste hoogtepunt is in hun oeuvre, uitgegeven in een of twee boeken die tot de canon van de fotografie zijn gaan behoren. Maar wat als je aan een oeuvre werkt dat niet bestaat uit foto’s van landmarks of highlights, maar dat volledig wordt bevolkt door inwisselbare, anonieme plekken alfabetische geordend in boeken die er stuk voor stuk hetzelfde uitzien? Welk verhaal heb je dan te vertellen? We vroegen het aan de Zweedse fotograaf Gerry Johansson.
Bij Galerie Wouter van Leeuwen zijn op dit moment werken uit Johanssons recentste boeken Coast to Coast en Spanish Summer te zien, samen met werk van Jenia Fridlyand en Penti Sammallahti.
Johansson is inmiddels 78, maar is nog even reislustig en productief als altijd. Afgelopen najaar verscheen Coast to Coast, een dun boekje dat in veel opzichten afwijkt van typische Johansson boeken. Waar zijn lijvige klassiekers als America, Sweden, Deutschland en het recente Spanish Summer, op het colofon na, tekstloos zijn, bevat Coast to Coast een korte biografische beschouwing van Johansson over zijn tijd in de Verenigde Staten.
In 1963 bracht hij als 18-jarige een jaar door in New Jersey bij kennissen van zijn ouders. Het idee was om een baantje te zoeken, maar dat bleek lastig. Hij zwierf dagenlang door Manhattan met zijn camera en fotografeerde scenes op straat. Ook werd hij lid van The Village Camera Club, een goede plek om andere fotografen te ontmoeten.
Twintig jaar later keerde hij terug voor een reis van de west- naar de oostkust - coast to coast – en bezocht hij de who is who van de Amerikaanse fotografie van dat moment. In LA chauffeerde hij een Gary Winogrand een aantal dagen en ontmoette hij Robert Adams, Henry Wessel Jr zocht hij op in San Francisco en hij bezocht Egglestone in Memphis. Een vormende reis wil Johansson het aan de telefoon niet noemen, want hij had al succes met zijn werk. “Ik had op dat moment al een tentoonstelling in het Moderna Museet in Stockholm gehad. Achteraf gezien was het een soort retrospectief, omdat daarna mijn interesses begonnen te veranderen.”
Johanssons waardering voor de foto’s die hij tijdens zijn trip door de VS maakte veranderende over de jaren. “Toen ik terugkwam in Zweden dacht ik eerst dat de afzonderlijke foto’s niet genoeg samenhang vertoonden, maar nu ben ik er veel tevredener over.” Ook vormde de reis in veel opzichten een blauwdruk voor zijn latere werk. Mensen verdwenen uit beeld, de nadruk kwam te liggen op landschapsfotografie en op alledaagse zaken: huizen, winkels, kerken, fabrieken, auto’s, autobanden, bomen, alles kon het onderwerp worden van Johanssons werk. Altijd gefotografeerd met een middenformaatcamera, en altijd in een perfecte compositie.
Dat laatste werd Johanssons handelsmerk. Waar je hem ook neerzet, de wereld ziet er altijd ongeveer hetzelfde uit. “Juist omdat de voorwerpen die ik fotografeer anoniem zijn, heb je een sterke compositie nodig”, legt Johansson uit, die werd opgeleid als graficus. “Ik doe niks mysterieus.”
Ook Johanssons werkwijze veranderde sindsdien niet meer fundamenteel. Hij reist naar een stad, streek of land en fotografeert dingen die hem opvallen. “The landscape is a reflection of life and what people make of it”, vat Johansson zijn visie samen. Een duidelijk concept dat overal toepasbaar is. Zo deelde hij voor zijn boek Deutschland (2012) de BRD op in negen secties en maakte hij talloze trips. Die aanpak was volgens Johansson logisch, omdat Duitsland “niet een heel groot land” is. Voor Spanish Summer (2022) maakte hij trips naar het midden van Spanje. Zo’n reis duurt ongeveer drie weken. “Als ik onderweg ben, werk ik heel efficiënt en maak ik kantooruren; van 9 tot 5.”
De keuze voor een bestemming komt meestal voort uit verwantschap met een land. “Als kind had ik bijvoorbeeld veel Duits speelgoed, terwijl de VS mij trokken vanwege de jazz en een tijdschrift als MAD magazine. Aan de andere kant, het is niet in steen gebeiteld, ik wist niks over Ulaanbaatar (hoofdstad van Mongolië) toen ik er fotografeerde. Het leek me gewoon interessant.”
Johanssons werkwijze mag dan volgens hem niet mysterieus zijn, zijn oog voor compositie draagt daar weldegelijk aan bij. Om sommige vondsten moet je grinniken, zoals het reclamebord dat precies wegvalt tegen een achtergrond in Spanish Summer. Op andere momenten denk je dat de perfecte compositie het betrekkelijk onbeduidende onderwerp op een subtiele manier belachelijk maakt, zoals de rijtjeshuizen in Pontiac (Michigan). De bewoner zal trots zijn op zijn bezit, maar door Johanssons viewfinder gezien, wordt die trots het toonbeeld van burgerlijkheid.
Voeg daarbij de uniforme uitvoering van al zijn boeken – bruine kaft, vierkante zwartwitfoto’s die alfabetisch op plaatsnaam zijn geordend – en je krijgt het idee dat individualiteit niet bestaat voor Johansson. Hij rangschikt slechts wat hij ziet. “Deze aanpak ontstond rond mijn boek America (1998). Uitgevers zagen er niet veel in. Toch wilde ik er toch iets mee doen en toen kwam een bevriend grafisch vormgever met dit concept. Dat werkt heel goed voor mij, mede omdat ik slechts laat zien waar mijn oog op valt. Soms vind je binnen een boek een kleine serie, maar vaak ook een enkele opname van een bepaalde plaats. In feite reik ik de kijker ideeën aan over hoe de VS eruit zouden kunnen zien, maar ik heb geen idee of dat klopt.”
Met andere woorden: de foto’s zijn niet meer dan wat ze zijn. Perfecte composities van de meest anonieme onderwerpen en daarmee tegenovergesteld aan de aandacht die er in onze beeldcultuur doorgaans is voor de uitzondering, het exceptionele, het evident mooie. Het verklaart ook waarom Johanssons vooral geliefd is onder kenners en verzamelaars. Fotografiecriticus Jörg Colberg vatte Johanssons benadering onlangs als volgt samen: “The world isn’t beautiful per se. The world simply exists, and it couldn’t care one bit about what we think about it. It’s up to us to view this world any which way we want (or are able to — those two aren’t necessarily the same). If you make the decision to find beauty in the world, then you can. One way, Johansson’s, is to embrace the idea that whatever beauty there is, it’s ours, the one we construct.” Gevraagd of hij deze analyse deelt, antwoordt Johansson droogjes: “He’s on to something.”
Observing met werk van Jenia Fridlyand, Penti Sammallahti en Gerry Johansson is nog tot en met 16 maart te zien bij Galerie Wouter van Leeuwen in Amsterdam.