In het werk van Michiel Ceulers (1986, Waregem, België) gaan schilderkunst en schoonheid hand in hand. En onder schoonheid verstaat hij niet die van de schone schijn maar die van de struggle, de eerlijkheid en de authenticiteit. Hoe ranzig of pervers die ook zijn kan. Van stukken wrakhout maakt hij panelen, oude lappen textiel gebruikt hij als canvas, met karton en piepschuim lijst hij zijn schilderijen in en met plastic en kippengaas maakt hij sculpturen. Het woord aan een kunstenaar die houdt van schilderijen met een eigen karakter zodat hij er zichzelf bijna niet meer in kan herkennen; een kunstenaar die de schilderkunst van de grote meesters evengoed kent als die van de animatie cartoons, de digitale spelletjes en de drag queens. Ceulers: ‘Ik weet dat ik niet echt iets nieuws kan toevoegen aan de schilderkunst. Maar ik kan wel écht zijn en schilderijen maken die onverbloemd zijn, soms beschamend, maar altijd authentiek.’
Ik wil schilderijen maken die spelen met bepaalde conventies en genres, die humor hebben en bestaande regels perverteren. Als kunstenaar wil ik authentiek zijn als een drag queen en daarom schilder ik de échte waarheid die schuilt achter die van de schone schijn.
Je was een gevierd en succesvol kunstenaar met shows in LA, Londen en Madrid en opeens was je verdwenen. Maar nu, tien jaar later, sta je weer volop in de schijnwerpers met een zeer succesvolle solo museumshow in De Garage in Mechelen, solo tentoonstellingen in galeries en presentaties op beurzen. Hoe is het om weer terug te zijn en meteen zoveel aandacht te krijgen?
Houden we niet allemaal van een comebackverhaal? Het is grappig te zien hoe snel dingen ons ontglippen. Ik ben namelijk nooit weggeweest. Ik ben altijd werk en tentoonstellingen blijven maken. Maar het is waar dat ik niet altijd in de schijnwerpers stond. Ik denk dat het gezond is je af en toe terug te trekken, achter de schermen te werken. De meeste interessante kunstenaars kennen hoogte- en dieptepunten. Het is niet altijd gemakkelijk, dat is zeker, maar ik denk dat dat ook goed is.
Ik was met mijn kunst nooit hoofdzakelijk op België gericht, en in die zin begrijp ik ook dat de mensen hier mijn werk op de een of andere manier over het hoofd zagen. Ik woonde en werkte enige tijd in het buitenland en toonde daar ook mijn werk. Maar mijn solo in de Garage in Mechelen in 2021 heeft het Belgisch publiek - opnieuw - laten kennismaken met mijn werk. Het is best grappig om te zien dat ik nu als het ware met een Antwerpse tournée bezig ben - onlangs had ik shows bij Valérie Traan en Everyday Gallery en was er werk van mij te zien op Art Antwerp - en mijn carrière als professioneel kunstenaar ook in diezelfde stad is begonnen…
Overigens is de aandacht die ik nu krijg niet nieuw voor mij. Gedurende mijn hele carrière heb ik het geluk gehad aansluiting te vinden bij andere kunstenaars en werk te tonen in artist-run spaces. Zodoende ben ik nooit van de radar verdwenen. Maar het is waar dat mijn vroegere leven een grote carrousel was en daarom voelt de aandacht die ik nu krijg voor mijn werk goed maar niet nieuw. Ik denk wel dat ik het, nu ik ouder ben, meer waardeer, omdat ik weet hoe snel succes door je vingers kan glippen.
Heb je heel je leven al kunstenaar willen worden, of had je heel andere plannen?
Mijn vader wilde zijn leven lang in de kunst, maar hij behoorde tot de generatie die dacht dat daar geen toekomst in zou zitten. Toen mijn ouders uit elkaar gingen, merkte ik aan de frustraties van mijn vader dat hij een leven leidde waarvoor hij eigenlijk niet had gekozen. Mijn moeder daarentegen vond dat niet alleen haar kinderen, maar ook zijzelf, alles zouden moeten kunnen doen wat ze maar wilden. Daarom besloot ik rond mijn twaalfde mijn hart te volgen en mijn ambitie om kunstenaar te worden te gaan realiseren, inclusief het risico daarin te falen. Dan zou ik later in ieder geval geen spijt hebben. Dus toen ik aan het einde van het 6de leerjaar besloot kunstenaar te worden moest ik nog twee jaar wachten om uiteindelijk op 15-jarige leeftijd, eerder is in België wettelijk niet toegestaan, aan de kunstacademie te beginnen.
Journalist en auteur Daniel Illegems noemt jou in een interview voor De Morgen: 'Zo authentiek als een drag queen'. Kun je je in die uitspraak vinden, en zo ja, kun je dat toelichten?
Zo parafraseerde Danny Illegems [journalist, oa van De Morgen en schrijver, red.] mij aan het einde van een gesprek tijdens zijn bezoek aan mijn tentoonstelling in de Garage eind 2021. Hij vroeg zich af hoe het zat met het begrip queerness in mijn werk. Maar ik dacht dat hij het begrip queerness verwarde met gayness. We spraken over begrippen als vuiligheid en façade of nepheid, de camp in drag. Ik noemde drag performers als Divine uit de John Waters films en Lady Bunny. De manier waarop drag queens het hebben over ‘schilderen’ als ze met hun make-up bezig zijn fascineert me; evenals het idee dat hun make-up er van veraf perfect uit moet zien, terwijl je bij nadere inspectie ziet dat dat niet het geval is. Overigens, wanneer die queens playbacken doen ze niet per sé iets nieuws, maar door de authenticiteit en de bravour van hun optredens overtreffen ze vaak de originele versies.
En zo wil ik schilderen.
Want de grote wendingen in de schilderkunst zijn al verkend door generaties vóór mij. Ik weet dat ik niet iets compleet nieuws kan toevoegen. Maar ik kan wel écht zijn. Ik kan schilderijen maken die onverbloemd zijn, soms beschamend, maar altijd authentiek. Ik wil schilderijen maken die spelen met bepaalde conventies of genres, die humor hebben en bestaande regels perverteren. Als kunstenaar wil ik authentiek zijn als een drag queen en dus de echte waarheid laten zien en niet die van de schone schijn.
Je werk is radicaal en heeft iets bevrijdends omdat je je geen zorgen lijkt te maken over esthetiek of regels die in de klassiek schilderkunst gelden. Illegems, in datzelfde artikel, heeft het over dirty abstraction omdat je doeken vaak vol zitten met vlekken en vegen en bewerkt zijn met afvalmateriaal en ander straat vuil. Vroeger maakte je misschien alleen abstract werk maar inmiddels zien we ook figuratieve schilderijen van jouw hand, maar met dezelfde bravour en energie. Waar komt die rebelse beeldtaal vandaan?
Ik ben op de één of andere manier bang voor het puur witte doek. En ik denk dat ik niet de enige schilder ben die het lege doek als een beproeving ervaart. Maar als ik eenmaal begin kan ik niet meer stoppen totdat ik het doek bijna kapot geschilderd heb. Toen ik mijn eigen lijsten begon te maken en de oppervlakken van mijn doeken ging vervormen, begon het werk iets heel anders te worden, iets buiten mijzelf. Daardoor werd het gemakkelijker om het moment te bepalen waarop een werk daadwerkelijk ‘af’ is.
Ik wil dat het werk mij verrast. Zo functioneren toevallige elementen als vlekken, spetters, druppels, fouten en ongelukjes bijna op hetzelfde niveau als de houten planken en andere rommel die ik op straat vind op weg naar mijn atelier of naar huis. Ik houd van het verstotene, het afgewezene, omdat het sublieme, het onnoembare, me afschrikt. Ik maak liever iets dat mijn eigen smaakgevoel op de proef stelt. Ik heb geen moeite met chaos, ik kan mijn handen in de meest gore troep steken maar ik houd niet van gemakkelijke schoonheid, het verveelt me eerlijk gezegd. Ik bedoel, bestaat er iets sexyer dan een mooi persoon met een litteken, sproeten of flaporen, of een bad boy?
Lange tijd verkocht mijn werk niet, dus waarom zou ik me dan houden aan regels en conventies die anderen me probeerden op te leggen? Ik bedoel, als het werk dan toch nergens toe leidt, laat me er dan in ieder geval plezier aan beleven. Dus gebruikte ik die tijd om te experimenteren en mezelf voortdurend uit te dagen.
Je maakt je eigen lijsten van karton waardoor het ingelijste kunstwerk er eerder als een object dan als een schilderij uit komt te zien. Om wat voor reden(en) doe je dat?
Ik maak mijn schilderijen meestal liggend op de grond, het is dan gemakkelijker om uit te zoeken of ik bepaalde doeken aan elkaar wil maken of dat ik er andere vormen of materialen aan toe wil voegen. Op die manier kan ik loskomen van de zwaartekracht en vrijelijk composities uitproberen. Door dit werkproces voelen mijn schilderijen soms wat sculpturaal aan, daarmee worden ze een soort ‘bedriegers’. Ik denk dat de behoefte om het werk als een object in te lijsten voortkomt uit dat idee. Eigenlijk maak ik bijna muurreliëfs die ik camoufleer tot schilderijen. In die zin zijn ze bijna net zo geworden als de schilderijen die ik als kind het meest haatte: landschapsschilderijen in gouden lijsten. Ik maak de lijsten voor mijn schilderijen zelf en daarmee worden ze zelfbewuster: ze zien eruit als schilderijen maar ook weer niet. Enerzijds behoren ze tot de schilderkunst en anderzijds niet. Maar misschien is dat gewoon een idee van camp.
In jouw kunst draait het niet om het verhaal, ondanks het feit dat er er veel terugkerende en symbolische motieven en elementen in zitten zoals een kanarie, spiegelscherven en rasterpatronen die daarop zouden kunnen duiden. Hoe zou je je kunst willen definiëren?
Ik denk dat je de Belgische kunst in twee categorieën kunt onder verdelen: aan de ene kant heb je de verhalende, conceptuele kunst, met als belangrijkste exponent Luc Tuymans; en aan de andere kant heb je de stillere, meer poëtische kunst waartoe schilders als Raoul de Keyser en Walter Swennen behoren. Ook al is het onderscheid tussen beide soorten van schilderkunst niet altijd zo zwart-wit, ik denk dat mijn werk meer bij de laatste categorie hoort. Ik heb nooit de behoefte gehad om mijn werk met zoveel woorden uit te leggen. Ik denk dat als ik zou weten waar het allemaal over gaat ik verveeld zou raken. Mijn werk is geëvolueerd van een toegankelijk, publieksvriendelijk oeuvre, naar een terughoudend en weerbarstig oeuvre. Recentelijk werden materialen als glitter en spiegels meer prominent in mijn werk. De reflectie maakt het werk kinetisch en ik houd van het idee dat het werk als het ware terug ‘staart’ naar de toeschouwer. Het is bijna alsof je een stripverhaal van Ad Reinhardt - waarin het schilderij de toeschouwer lijkt te bevragen - nabootst.
Wat is het grootste compliment dat je als kunstenaar ooit zou kunnen krijgen?
Ik denk dat ik dat al heb ontvangen. Toen Walter Swennen mijn eerste galerieshow bezocht ging hij door een moeilijke fase in zijn leven. Hij zei me dat hij had gehoopt dat het werk op de uitnodiging van mij was, en vertelde verder over de trieste situatie waarin hij zich bevond. Maar voordat hij weg ging keek hij me aan en zei: ‘Jouw schilderij heeft me tenminste even doen glimlachen.’ En later hoorde ik dat hij had geïnformeerd naar de beschikbaarheid van dat werk.
Ik beschouw het ook als een compliment als vrienden van mij die lesgeven op de academie mij vertellen dat studenten over mijn schilderijen praten en naar mijn werk verwijzen. Het grootste compliment dat je kunt krijgen is afkomstig van oudere, gevestigde kunstenaars en toekomstige kunstenaars die je werk waarderen en die je zelf respecteert.
Waar haal je je inspiratie vandaan?
Dat vraag ik me zelf ook weleens af. Het is vreemd hoe dingen soms gaan. Zo liep ik rond met de gedachte om de serie schilderijen met de kanaries te beëindigen toen er een uitnodiging met de afbeelding van een geschilderde, dode kanarie op zijn rug, op mijn deurmat viel. Game over dacht ik toen. Ik had reeds twee ruwe, ronde doeken gemaakt en wist even niet wat ik er daar nog mee wilde doen. Nadat ik die dode kanaries geschilderd had kwam het in me op om ze op het eindbeeld van de ‘Looney Tunes’ te schilderen waarop staat: That’s all folks! Maar anderzijds kwam deze zin ook voor in het telefoonspelletje ‘Toon Blast’. Misschien speelde dat ook onbewust mee.
Hetzelfde merkte ik op bij een goede vriendin van mij. Ze toonde mij een schilderij in haar atelier, en toen we later bij haar thuis aankwamen zag ik dat de achtergrond van dat schilderij letterlijk dezelfde was als het motief van de jas die aan de haak hing. Toen ik haar daarop wees realiseerde zij zich dat opeens. Zo gaat het vaak: soms merk je de gewoonste, alledaagse dingen niet op, totdat iemand je erop attent maakt.
Sommige dingen gebeuren weloverwogen. Zo ben ik er trots op dat ik veel weet van de kunstgeschiedenis. Ik vind het belangrijk dat je als kunstenaar zoveel mogelijk probeert te weten te komen want een gebrek aan kennis of weinig interesse in andere dingen dan schilderen is gevaarlijk. Die kennis komt trouwens ook van pas als ik les geef, of als ik als gids rondleidingen geef in musea hier in Brussel. Om mij heen vang ik dan allerlei interessante gesprekken op. En dan is er natuurlijk de stad zelf. Mijn vriend schrijft filmkritieken, zodoende gaan we vaak naar de film, misschien hebben die eindscènes ook daarmee te maken…
Als geld geen issue zou zijn, welk project zou je dan willen verwezenlijken?
Sinds enige tijd ben ik gefascineerd door ‘concrete canvas’, een soort beton op rol dat eruit ziet als gipsverband. Er worden tenten van dit materiaal gemaakt die je op kunt blazen en die in één dag uitharden. Ik zou direct aan de slag willen met dit materiaal om grote, opblaasbare sculpturen te maken. Verder word ik aangetrokken door animatie. Ik was als kind al geboeid door de effectiviteit ervan. Soms zie je de animator letterlijk zijn hand in een pop steken, en toch wil je dat niet zien, omdat je wil geloven in de animatie. Ik vind het idee van suspension of disbelief erg mooi. De laatste Muppet film kwam uit op mijn verjaardag en ging over een jongen die ontdekte dat hij al zijn hele leven geen verschoppeling was, maar een Muppet. Hij had alleen nog nooit iemand van zijn eigen soort ontmoet. Op de een of andere manier kon ik me heel goed met dit verhaal identificeren.
Waar is Ceulers over tien jaar?
Ik heb geen idee, behalve dat ik mij ook dan wil blijven verrassen en inspireren met mijn werk. Verder hoef ik niet echt te weten wat nog allemaal gaat komen. Ik weet het niet, misschien stop ik opeens en ga ik alleen nog schaken…