Wat doe je als schilderen tijdelijk onmogelijk wordt? In een periode van rouw en verlies begon de Belgische kunstenaar Pieter jan Martyn zijn oude familie archief te ordenen en schreef hij brieven aan zichzelf. Het ordenen van zijn herinneringen en gedachten boden houvast. Het leidde tot twee projecten waarin angst, afwezigheid en herinnering centraal staan. De schilderijen van Martyn zijn vanaf 10 januari te zien bij Frank Taal Galerie in Rotterdam. Ze worden gepresenteerd in de duo-tentoonstelling Cythera, samen met werk van Marilou Van Lierop.
In zijn schilderijen vloeit zijn werk als grafisch vormgever en schilder samen. Martyn vertaalt het digitale denken in lagen en correcties naar het doek: “Het grootste gemist dat ik in het schilderen altijd heb ervaren, is de functie Command-Z. Dat kleine digitale wonder waarmee je even terugkeert in de tijd.” Martyn ontwikkelde een eigen techniek waarmee hij een stap terug in de tijd zet. Laag voor laag bouwt hij zijn beelden op, om ze vervolgens weer deels af te schuren.
Waar is je atelier en kan je beschrijven hoe dat eruit ziet?
Mijn atelier is thuis, op de bovenste verdieping van een oud herenhuis. De open dakconstructie zorgt voor veel hoogte en licht. Het voelt als een verlengde van mijn leefruimte, maar zonder afleidende functies. Doeken kunnen blijven liggen, drogen en dingen kunnen groeien. Dat geeft rust én continuïteit.
Is las dat je als kind al in het atelier van je vader, Hervé Martijn speelde.
Wat kun je je nog herinneren van die plek?
Ik had als kind weinig voeling met jeugd- of sportbewegingen. In het weekend zat ik in de academie of in het atelier van mijn vader. Ik hield van de overvloed aan materiaal en de vrijheid om ermee te experimenteren. Dat heeft mijn manier van werken gevormd: materiaal als uitnodiging en experiment, niet als beperking.

Je hebt even een periode niet geschilderd. Wanneer voelde je voor het eerst dat er toch weer ruimte begon te komen voor creatie?
Vorig jaar zat ik midden in een echtscheiding. Door de situatie ben ik even letterlijk in mijn atelier gaan logeren. Hoeveel uren ik er ook zat, schilderen lukte niet. ’s Nachts durfde ik niet te slapen, ik was bang om stil te vallen. Dat jaar overleed ook mijn oma (meme), met wie ik een hechte band had. Om niet stil te vallen begon ik ’s nachts haar familiearchief te archiveren: ik lag uren dia’s te bekijken vanuit mijn bed. Dat archiveren gaf houvast, maar legde de eenzaamheid nog scherper bloot. Schilderen zoals ik gewend was, rond afgebakende historische of politieke reeksen, lukte nog steeds niet. Ik heb de verf opnieuw opgepakt uit noodzaak: eerst om mijn angst onder ogen te kunnen komen, later om emoties een plaats te geven. Daaruit groeiden twee parallelle projecten, de eerste is Mijn zomer met Streuvels, waarvoor ik een pseudo-realistische werkelijkheid creëerde waarbinnen ik brieven schreef om mijn angsten te kaderen. Daarnaast startte ik met Afterimage waarin ik vergezichten uit mijn oma’s dia’s schilder zonder de poserende vakantieganger, en zo de afwezigheid expliciet maak. Pas toen Streuvels afgerond was en er rust kwam, kon ik Afterimage ook echt in verf uitwerken. Beide reeksen zijn geen terugkeer naar hoe ik schilderde, ze zijn een andere manier van werken als een loutering uit noodzaak.

Waar verwijst de titel Afterimage naar?
Afterimage is mijn werktitel. Bij Frank Taal wordt mijn werk samen getoond met werk van Marilou Van Lierop onder de gemeenschappelijke titel Cythera, een knipoog naar Watteau en het romantische idee van de vlucht naar het landschap. Ik vertrok van vakantiedia’s van mijn grootouders, die ik ’s nachts in mijn atelier eindeloos bekeek. Ik haalde de poserende mensen weg, maar behield de oorspronkelijke kadrering. Dit resulteerde in lege landschappen en architecturale scènes: lege terrassen, stranden, hoteltuinen, zwembaden en geconstrueerde idylles zonder lichamen. Wat rest zijn vergezichten met een bevreemdend vacuüm: kadreringen die nog altijd de afwezige aanwezigheid oproepen waarvoor ze ooit bedoeld waren. Afterimage verwijst naar het nabeeld: wat op je netvlies blijft als het zichtbare verdwenen is. Alle titels zijn fragmenten uit You Know You’re Right van Nirvana. Dat nummer vat voor mij de periode van mijn scheiding. Het gaat over gestrande communicatie, twee stemmen naast elkaar in plaats van met elkaar: één die overtuigd van zijn gelijk doorgaat en één die meeschuift om escalatie te vermijden. De titels zijn bewust eenvoudig, het zijn fragmenten van de lyrics, omdat het beeld voor zich moest spreken en geen extra draagkracht nodig heeft door een verdiepende titel. Samen vormen titels en schilderijen één geheel: twee monologen naast elkaar. Het zijn beelden die iemand lijken te verwachten, en waarbij enkel het nabeeld blijft praten.
In de tentoonstelling zijn ook werken te zien van het Streuvelsproject. Wat was de start van dit project?
Ik zette een fictieve briefwisseling op met de schrijver Stijn Streuvels (1871-1969) en maakte geënsceneerde schilderijen waarin ik mezelf als tijdgenoot naast hem plaats, nauw aansluitend bij de echte correspondentie rond zijn boottocht met ’t Haantje. Het project werd in samenwerking met Museum Streuvelshuis en het Letterenhuis tentoongesteld in het woonhuis van Streuvels en er werd een publicatie rond uitgegeven. Ik kon authentiek briefwisselingen tussen mijn overgrootouders en Streuvels combineren met fictieve elementen wat zorgde voor een pseudo accuraat geconstrueerde fictie die ongemakkelijk dicht tegen het verleden aanwrijft. In de brieven spreek ik open over angst, verlies, twijfel en het vastlopen in mijn kunstenaarschap. De schilderijen grijpen terug naar Streuvels’ landschapsfoto’s van die boottocht en naar geënsceneerde groepsbeelden waarin ik mezelf toevoegde, niet om de geschiedenis te herschrijven, maar om te tonen hoe beeld, fictie en herinnering elkaar besmetten. Mijn zomer met Streuvels werd zo een dialoog die nooit heeft plaatsgevonden, maar die paradoxaal genoeg meer waarheid bevat dan veel reële briefwisselingen. Het is een poging om een intieme ruimte te creëren waarin ik kon praten over angst, verlies, twijfel en het verdwalen in mijn kunstenaarschap, gesprekken die ik ogenschijnlijk met Streuvels voer, maar uiteindelijk vooral met mezelf.

Denk je dat jouw ervaring met hypnose ertoe heeft geleid dat je jezelf meer als onderwerp bent gaan onderzoeken?
Zoals gezegd voelen deze recente reeksen als een drang: een persoonlijk, artistiek antwoord op de noodzaak om dingen onder ogen te zien en een plek te geven. Vreemd genoeg zijn het tegelijk ook de eerste twee autonome reeksen waarmee ik sinds mijn hypnose-project bij Frank Taal (2021) genaamd The 12th monkey weer naar buiten kom. Die hypnose met een focus op het onderbewuste, heeft sowieso iets opengezet. Ik zie het niet de oorzaak, maar ze heeft wel de drempel verlaagd: weg van het puur historische dossier, naar mijn eigen materiaal. Misschien heeft die hypnosereeks toen meer losgemaakt dan Frank en ik verwacht hadden. Sowieso geloof ik niet in zwart-wit oorzaak-gevolg. Net als in het leven is schilderen een traject waarin meerdere actoren samen een evolutie vormen.
Kan je iets meer vertellen over de verschillende materialen die je gebruikt?
Ik heb nooit een klassieke schildersopleiding genoten: ik ben begonnen te experimenteren in het atelier van mijn vader met wat er lag: verf, houtskool, … De typische materialen maar ook met gevonden motorolie, pek, lijmen en was: materiaal dat binnen de academische schilderkunst waarschijnlijk als onorthodox zou gelden. Dat bricoleren heeft mijn manier van werken gevormd. Ik hou van het combineren van materialen, van hun onderlinge reacties, hechtingen en oxidanten. Vandaag meng ik olieverf en acryl met wasco’s van mijn kinderen, houtlijm, grafiektechnieken en epoxy. Soms voelt het alsof ik eerder aan het tekenen ben dan aan het schilderen. Naast schilderen ben ik actief als grafisch vormgever en ben ik ietwat Photoshop-verslaafd. Het grootste gemist dat ik in het schilderen altijd heb ervaren, is de functie Command-Z. Dat kleine digitale wonder waarmee je even terugkeert in de tijd en digitaal een stap kan terugzetten. Schilderkunstig heb ik daar een eigen vertaling voor gezocht. Ik werk in dunne, half transparante lagen die ik telkens fixeer. Met schuurpapier kan ik, indien nodig, weer naar een vorige fase. Dat fysieke terugspoelen is nooit zo vlekkeloos als digitaal: residu blijft achter, transparante lagen worden soms opaak, vormen verschuiven of verdwijnen. Juist dat repetitieve trial-and-error-proces zorgt ervoor dat mijn oppervlakken afgeschuurd zijn en bijna opgeboend ogen. Onderliggende lagen blijven daarbij zichtbaar en schemeren opaak door het oppervlak heen.

Je stelt dat in je polychrome werken kleur meer als sluier fungeert. Is er een kleur die voor jou symbool staat voor rouw of gemis?
Kleur heeft voor mij niet de taak om het beeld realistischer of visueel overtuigender te maken, ze sturen eerder het gevoel dat ik bij het beeld heb of wil uitdragen. Ik ervaar kleur vooral als een drager van geheugen. Een bepaalde oker doet me denken aan de binnenmuren van de veranda van m’n meme, een verschaald blauw en paars aan haar gebloemde zetel aan zee. Het zijn geen symbolen die ik doelbewust inzet maar echo’s die zich aandienen terwijl ik werk. Kleur fungeert niet als een code maar als een laag die het beeld voor mij een bepaalde waarde geeft, een sluier die niet uitlegt, maar aanraakt.
Het jaar is net gestart, wat staan er voor projecten op je te wachten?
Sinds kort overleg ik met een bevriend kunstenaar over twee mogelijke nieuwe trajecten waaraan we samen willen werken, maar of ik daar klaar voor ben en of ze überhaupt zullen uitmonden in een resultaat zoals vroeger, valt nog af te wachten. De ene reeks draagt voorlopig de werktitel The Man on the High Cupboard en is opnieuw persoonlijk. Ze sluit op een bepaalde manier aan op de hypnosereeks en op de idee dat bepaalde thematische keuzes in mijn oudere werk misschien vanuit een onderbewuste consensus ontstaan zijn. De andere mogelijke reeks vertrekt vanuit mijn fascinatie — en tegelijk mijn dissociatie — met het katholieke geloof. Specifieker gaat het om een nieuwsgierigheid naar vroegmiddeleeuwse zijstromingen binnen de Europese katholieke traditie en hoe die invloed hebben gehad op het latere kerksysteem. Of, wanneer en in welke vorm deze reeksen zullen ontstaan, is op dit moment nog een groter mysterie dan het vertrekpunt zelf.
