Voor George De Decker begon het idee voor deze expo bij een steen. Het was geen monument en geen grafsteen. Het was een grillig gevormde brok, groen en grauw, met korstmos in de plooien, het soort steen dat je op een wandeling opraapt en thuis op je bureau legt. Daar ligt hij dan, hij zwijgt en geeft inspiratie.
De Decker heeft een jaar lang niet kunnen schilderen. Omstandigheden, zoals dat discreet heet. Een schilder die niet schildert, lijkt op een rivier bij laagtij: de bedding is er nog, het water niet. Hij omringde zich met tekenboeken, zoals anderen in moeilijkere tijden potten confituur inmaken of in de tuin werken. Op het bureau lag de steen. Langzaam begonnen de bladzijden zich te vullen met kleine tekeningen.
In het oude China legden geletterden een grillige steen op hun schrijftafel. Ze noemden zo'n steen gongshi (contemplatiesteen), een berg op zakformaat, waarin de geest kon gaan wandelen zonder de kamer te verlaten. Ik weet niet of De Decker dat wist. Het doet er niet toe. De steen wist het.
Eerst wilde hij de steen heel realistisch naschilderen. Het klopte niet. Het was De Decker niet. Een steen naschilderen is zoiets als een rivier in een emmer bewaren: je hebt het water, maar de stroom ben je kwijt. Die poging hangt overigens gewoon in de tentoonstelling: een steen in grijs en wit op een zwarte grond, keurig, overtuigend en een beetje verlegen, zoals een eerste versie die weet dat ze een eerste versie is. Hij liet het werk rusten. Op zijn website staat de zin die alles samenvat: It started with one line. Uit die ene lijn kwamen andere lijnen. De schilderijen kwamen achter elkaar, en ze bleven komen.
George De Decker, Quand le fleuve devient arbre I, 2026, Gallery Sofie Van den Bussche
Quand le fleuve devient arbre
De titel is Frans, en dat is geen toeval. Het Frans kent twee woorden voor rivier. Een rivière mondt uit in een andere rivier. Een fleuve mondt uit in de zee: het is de rivier die eindigt, die zich verliest in iets groters. De Decker kiest het woord voor de stroom die verdwijnt en laat die stroom niet in de zee verdwijnen. Hij laat hem boom worden.
Wie ooit vanuit een vliegtuig naar een rivierlandschap keek, kent het beeld. Een rivier met haar zijrivieren vertakt zich als een kruin. Het water zoekt zijn weg, splitst zich op en komt weer samen. Kijk je lang genoeg, dan zie je geen rivier meer, maar een boom. De natuur lijkt zich weinig aan te trekken van de grenzen die wij tussen dingen trekken.
En dan is er de weerspiegeling. Een boom op de oever staat twee keer: één keer in de lucht, één keer ondersteboven in het water, met zijn kruin in de bedding. In die weerspiegeling wordt de boom zelf een rivier: zijn takken vloeien uit over het wateroppervlak, tot een zuchtje wind het beeld uiteen laat vallen.
Het kan ook omgekeerd gelezen worden. Een boom is een rivier die rechtop is gaan staan. Het sap stroomt omhoog, tegen de zwaartekracht in, naar het licht. En wie naar een boom in het water kijkt, weet hoe vluchtig zo'n beeld is. Eén windvlaag volstaat en wat daarnet nog een boom was, wordt een spel van lijnen en rimpelingen.
George De Decker, Quand le fleuve devient arbre II, 2026, Gallery Sofie Van den Bussche
Het wit dat niet wit is
Vóór de lichte werken kwamen de donkere. Ze zijn ontstaan in een donkere periode, vertelt Sofie Van den Bussche, tot er een moment kwam van: kom op, ik moet erdoor. Het ging beter en beter. Dan begint het uit te botten, zegt ze, en komt het licht naar voren. Het is een mooier woord dan herstel. Herstel klinkt naar een revalidatiecentrum. Uitbotten klinkt naar maart, ook al zijn we oktober.
Neem het grote doek met de zwarte lijnen. Een wit vlak, maar geen leeg wit. Onder het wit schemeren grijze sporen, oude lijnen die overgeschilderd zijn en toch blijven doorschijnen. In het rivierenlandschap heten zulke afgesneden meanders dode armen: beddingen waar het water ooit stroomde en die het landschap blijven herinneren. Het doek zit er vol mee. Het wit is geen achtergrond. Het is een bedding.
Daarover lopen de zwarte lijnen, in houtskool en verf. Ze zijn tak, barst, ader, rivier op een kaart, allemaal tegelijk. Sommige lijnen dalen af naar de onderrand en stoppen er abrupt, als wortels die water zoeken of als takken die loslaten. Abstract is het wel, maar niet abstract zoals een geometrisch vlak abstract is. Het is abstract zoals een weerspiegeling abstract is: je herkent alles, en toch kun je niets vastpakken.
Robert Ryman maakte er een levenswerk van om te bewijzen dat wit geen leegte is. De Decker heeft dat bewijs niet nodig. Hij gebruikt het wit gewoon, zoals een rivier haar oevers gebruikt: om ergens tussen te stromen.
George De Decker, Quand le fleuve devient arbre XI, 2026, Gallery Sofie Van den Bussche
Beneden, in de bedding
Wie de trap afdaalt, komt in een kleine ruimte met een zeteltje. Het is er stil, intiem, afgezonderd. Je krijgt er de tijd, of je neemt hem. Daar draaien drie korte video's: weerspiegelingen van bomen in water, takken die rimpelen, zich herstellen en weer rimpelen.
De Decker is ook componist. Meestal schrijft hij eerst de muziek en schildert hij daarna. Deze keer werkte hij anders: hij schilderde en componeerde tegelijk. Twee stromen uit één bron. Op de muziek zijn ook de beelden gebaseerd. Wie zijn Wit in wit kent, zijn herlezing van Bachs Goldbergvariaties, weet hoe hij denkt: één thema dat zich blijft vertakken, tot de variaties een kruin vormen.
Het echte kunstje van deze tentoonstelling is de trap. Wie beneden geweest is en terug naar boven komt, ziet de doeken anders. De lijnen bewegen nu. Het water zit in je ogen. Het groeit verder, zegt Van den Bussche, en ze heeft gelijk. Een schilderij hangt stil, maar je blik is ondertussen rivier geworden.
Onder de stolp
En de steen? Die staat in het venster, onder een glazen stolp, op een zwarte sokkel, als een reliek in een kathedraal. Hij is klein, en hij is hier de oudste aanwezige. Aan de muur ernaast hangt zijn geschilderde pendant. Model en portret in dezelfde kamer: het is het soort ontmoeting dat bij mensen meestal ongemakkelijk verloopt. De steen lijkt er geen last van te hebben.
Op het glas van de stolp spiegelt de straat. Je ziet er de gevels in, een bouwkraan die als een stalen boom boven de daken uitsteekt. Auto's, fietsers, voorbijgangers: de drukte die toch weer aan de voordeur klopt. Alles schuift over de gebogen glazen huid van de stolp, vervormd en vloeibaar, terwijl de steen eronder geen krimp geeft.
Dat is misschien het mooiste beeld van de hele tentoonstelling, en het hangt niet aan de muur. Rond de steen wordt de stad vloeibaar, zoals in de video's beneden. De rivier wordt boom, de stad wordt water, en de steen kijkt toe. Hij heeft het allemaal in gang gezet en is zelf geen millimeter verschoven. Dat is het voorrecht van stenen. En van muzen.
George De Decker - Quand le fleuve devient arbre is nog te zien tot en met 7 november bij Gallery Sofie Van den Bussche in Brussel.
George De Decker, Quand le fleuve devient arbre, Gallery Sofie Van den Bussche