ROOF-A in Rotterdam presenteert tot en met 29 augustus de solotentoonstelling ‘REBURN’ van Juliette Minchin. Voor deze presentatie transformeerde de Franse kunstenaar de volledige begane grond van de galerie tot een monumentale installatie. Verkoold hout, was, steen en metaal vormen daarin samen een landschap, ergens tussen ruïne, architectuur in wording en een rituele ruimte. Op 29 augustus organiseert de galerie om 16.00 een feestelijke finissage. Hendrik Driessen, voormalig directeur van Museum De Pont, gaat daarin in gesprek met Minchin over haar praktijk en de thema's die haar werk vormgeven. Het werk van de kunstenaar zal vanaf 5 december ook te zien zijn in een solotentoonstelling in Centre Pompidou-Metz.
Juliette Minchin werd in 1992 geboren in Clamart, net buiten Parijs. Ze studeerde scenografie aan de École Nationale Supérieure des Arts Décoratifs (ENSAD), gevolgd door een opleiding aan de Beaux-Arts de Paris. Die achtergrond is nog altijd zichtbaar in haar praktijk. Een scenograaf denkt namelijk na over alle elementen die bepalen hoe mensen een ruimte ervaren: architectuur, licht, materiaal, kleur, objecten, geur, geluid, zichtlijnen en de manier waarop personen zich door een ruimte bewegen. Minchins tentoonstelling in ROOF-A is dan ook geen verzameling van losse objecten, maar een zorgvuldig gecomponeerde omgeving waarin de ruimte, het materiaal en de bezoeker even met elkaar verbonden zijn.
Dat wordt duidelijk wanneer je de tentoonstelling ‘REBURN’ binnenstapt. Vuur is het vertrekpunt van de installatie en je aandacht gaat dan ook meteen uit naar een reeks verkoolde houten en metalen constructies in de ruimte, aan de wanden en aan het plafond. Maar vuur is in dit kader niet alleen een symbool van vernietiging, maar ook van metamorfose. De zwarte laag van verkoold hout draagt de sporen van verbranding, maar heeft ook een beschermende functie en wordt daarmee, paradoxaal, sterker. Deze techniek wordt bijvoorbeeld al sinds het paleolithicum toegepast om huizen te beschermen.
Aan en rond die constructies verschijnen Minchins kenmerkende draperieën van was, eveneens een materiaal dat wordt getransformeerd door vuur. Deze installaties laten soms denken aan textiel, soms aan huid en soms aan beschermende windsels. Hun betekenis ligt nergens volledig vast en die ambiguïteit vormt een belangrijk onderdeel van de expositie. Soms krijg je het gevoel alsof je hetzelfde werk in verschillende stadia ziet.
Minchin heeft een buitengewoon fysiek productieproces. Het gesmolten materiaal dient snel te worden vormgegeven en toeval en spontaniteit zijn daarbij onvermijdelijk. Die onvoorspelbaarheid symboliseert een bepaalde onzekerheid, die we volgens de kunstenaar ook in ons dagelijks leven zouden moeten omarmen. De kunstenaar gebruikt dezelfde was vaak opnieuw: oude werken verdwijnen letterlijk in de smeltketel om later in een andere vorm terug te keren. De materie wordt op die manier een drager van herinneringen aan eerdere gedaantes.
Maar Minchin is niet alleen geïnteresseerd in de praktische eigenschappen van was, maar ook de culturele en spirituele associaties ervan. In een interview met Wouter van den Eijkel voor GalleryViewer zei ze:
“Was is het meest plastische materiaal dat er is: het heeft het vermogen om in veel verschillende staten te zijn. Het kan glad, gerimpeld, gekreukt of gebarsten zijn; heet en dan koud; vloeibaar, zacht of vast; de was gaat de hele tijd van de ene staat naar de andere. (…) Ondanks zijn kwetsbaarheid heeft was genezende en beschermende eigenschappen. Het wordt gebruikt op schilderijen en meubels om slijtage te weerstaan, en in de keuken om voedsel te bewaren: het is dus solide en duurzaam. Fragiel en eeuwig tegelijk: ik hou ervan omdat het een materiaal is dat een sterke tweeslachtigheid laat zien. Het heeft ook een mystieke dimensie als reactie op bijgeloof die me veel inspireert: het wordt gebruikt in veel begrafenisrituelen om de overledene te begeleiden [bijvoorbeeld dodenmaskers, red.] of te beschermen. Het heeft een universele, symbolische waarde: was verwijst naar de kaars waarvan de vlam hoop en licht belichaamt in alle culturen. Het verspreidt een geur, bekend bij allen, die een collectief geheugen reactiveren.”
Daarnaast werkt Minchin met materialen als hout, gips, keramiek en metaal. Ze onderzoekt in haar werk onderwerpen als cyclische tijd, verdwijning en vluchtigheid, maar ook materialen en locaties in een toestand van verandering. Dat verklaart bijvoorbeeld haar fascinatie voor bouwplaatsen, steigers, restauraties en de overblijfselen van gebouwen die zijn verbrand of vervallen. Minchin: “Ik heb transformatie in architectuur altijd fascinerend gevonden: het skelet van muren op bouwplaatsen voordat ze bedekt zijn met hun ‘huid’, de grote doeken die historische monumenten beschermen tijdens een restauratie, de resten van een gebouw dat tot een karkas is teruggebracht na een brand."
Ze stelde haar werk bovendien tentoon op spannende locaties: van de dertiende-eeuwse abdij Abbaye de Beaulieu-en-Rouergue tot de zestiende-eeuwse Zeyrek Çinili Hamam in Istanbul met ondergrondse Byzantijnse waterreservoirs. Op Château La Coste plaatste Minchin een monumentale sculptuur van gestapelde steenblokken op het hoogste punt van de wijngaard, waardoor er een dialoog ontstond met het omliggende landschap en een nabijgelegen ruïne op een tegenoverliggende heuvel.
Verder houdt Minchin zich in haar praktijk bezig met vakgebieden als antropologie en onderwerpen als verlies, herstel en degeneratie, spiritualiteit, mystiek, rituelen en collectieve zingeving. Ze focust zich daarbij niet expliciet op religie, maar bijvoorbeeld op de manieren waarop mensen door de eeuwen heen in verschillende culturen betekenis proberen te geven aan verlies, verandering, sterfelijkheid en het onbekende.
Het werk van Minchin was eerder ook te zien in de Monnaie de Paris, het Museo Sant'Orsola in Florence, Biennale BIS in Saint-Paul de Vence, de etalage van Selfridges in Londen en Palazzo Costantino in Palermo (met het Institut Français). Haar werk is opgenomen in de collecties van Château La Coste, Société Générale (bank), de AkzoNobel Art Foundation, Collection Moët-Hennessy en Musée d'Art Contemporain du Val-de-Marne. Ze ontving ook verschillende onderscheidingen, waaronder de ‘Mondes Nouveaux’ van het Franse Ministerie van Cultuur.