In zijn nieuwe serie Oever richt Bart Lunenburg zijn aandacht op de oudste delen van de Amsterdamse binnenstad. Niet de grachtengordel, maar de houten huizen die 750 jaar geleden werden gebouwd. De houtbouw uit de begintijd van de stad is uit straatbeeld verdwenen. Toch zijn veel houtconstructies bewaard gebleven, ze zijn alleen niet meer zichtbaar. Ze zitten verborgen achter gestucte plafonds en witte muren.
Lunenburg deed onderzoek naar de houtbouw, de toelevering van hout en het aantal verborgen bouwlagen. Hij schreef Drijfwoud, een essay waarin hij verslag doet van zijn onderzoek naar houtbouwtradities en stedenbouwkundige processen, en vertaalde het gegeven van de vele bouwlagen in houten wandsculpturen. De werken uit de serie Oever zijn een poëtische reflectie op de vele incarnaties die een ruimte over de eeuwen kan hebben.
Als altijd werkt Lunenburg met hout, maar voor Oever ligt de nadruk niet op vrijstaande sculpturen van massief hout, maar op panelen met fineerinlegwerk. We zien spanten en raampartijen in verschillende kleurstelling. Die maakte hij door het fineer met olie te tonen om zo de talloze lagen verf en stuc te suggereren.
We spraken Bart Lunenburg over zijn nieuwe werk, waarom hij essays schrijft, welke rol deze spelen in zijn werk, zijn residency in Duitsland en over zijn deelname aan de Warmoes Biënnale.
The sound of night falling in the other room van Bart Lunenburg is nog tot en met 11 april te zien bij Galerie Caroline O'Breen. Het essay Drijfwoud van Bart Lunenburg is uitgegeven door Soft concern hard concern en is online te lezen op MisterMotley.
Niet iedere kunstenaar schrijft een essay van 6000 woorden, compleet met voetnoten, ter gelegenheid van een nieuwe tentoonstelling of serie. Waarom doe je dat en welke rol spelen de essays in je werk?
Het schrijven van essays ben ik sinds een paar jaar serieus gaan nemen. Ik begon ermee omdat tijdens een onderzoeksproject mijn hoofd vol raakt met informatie en ik heel veel wil vertellen. Als ik dat op papier zet, dan heb ik het in ieder geval ergens staan en dan ben ik daarna weer vrij in mijn hoofd.
De onderzoeksfase is een wezenlijk onderdeel van mijn praktijk, maar die verdwijnt naar de achtergrond zodra ik aan het werk ga. Mijn werk is abstract, daarom is er een kans dat je als toeschouwer sommige referenties niet kan plaatsen. De essays zijn voor mij ook een manier om meer informatie te delen.

Uit welke onderzoeksvraag komen de werken van Oever, die nu bij Caroline O'Breen te zien zijn, voort?
Het Amsterdam Fonds voor de Kunsten gaf mij een stipendium om onderzoek te doen naar houtbouwtradities in de stad Amsterdam. Ik wilde een antwoord vinden op de vraag hoe belangrijk hout is geweest voor Amsterdam, een stad die zelf geen bossen heeft.
Het antwoord laat zich raden. Hout was heel belangrijk voor de ontwikkeling van de stad Amsterdam. Die is namelijk gebouwd op een moeras — een onhandige locatie, want om er te kunnen bouwen heb je fundering nodig en dus hout. Je merkt er vandaag de heel weinig van, maar we worden dag in dag uit ondersteund door ontelbare houtconstructies.
Je onderzoek bracht je onder meer naar Weilermattes in Rijnland-Pfaltz, een plaatsje op het Duitse platte land waar je een residency deed. Dat is niet meteen een plek waaraan je denkt als het om Amsterdamse houtbouw en houtconstructies gaat. Hoe zit dat?
Ja, je zou denken dat er een groot verschil is tussen landelijke en stedelijke architectuur, maar dat valt wel mee. Beide doen veel met hout, alleen is dat in de stad minder zichtbaar. Je bent geneigd te denken dat er een tegenstelling is, maar ook Amsterdam is ooit klein begonnen.
Aanvankelijk wilde ik in Duitsland iets anders gaan doen en thuis weer verdergaan met mijn onderzoek naar Amsterdam, maar toen bleken deze gebieden een historische band te hebben. Veel hout dat voor funderering in Amsterdam werd gebruikt, kwam uit dit deel van Duitsland.
Is er eigenlijk zoiets als te veel onderzoek doen? Ik kan me voorstellen dat al die kennis ook verstikkend werkt.
Zelf vind ik werken binnen een context prettig. Geef mij een allesverklarende context waarbinnen ik nieuwe verbindingen kan leggen in dat wat er al is. Daarbij is mijn werk speculatief. Ik ben geen historicus.

De werken in Oever zijn volgens mij niet de eerste serie waarin inlegwerk voorkomt, maar het is wel de eerste keer dat je deze techniek zo stelselmatig inzet. Kan je vertellen waarom je bij inlegwerk en kleurlagen uitkwam voor je nieuwe werk?
Mijn belangstelling voor inlegwerk werk werd gewekt toen ik een paar jaar terug een residentie deed in Ljubljana. Ik zat in de woning van architect Jože Plečnik. Zijn naam is synoniem voor de opbouw van Slovenië en zijn werk is het smeedijzer van de Sloveense identiteit. De Slovenen hebben deze architect tot genie verheven.
Plečnik is allang overleden, maar zijn geest waart steeds nog rond in die vertrekken. Inlegwerk leent zich ervoor om iets soortgelijks te doen. Je kan er namelijk de suggestie mee wekken van een ruimte die er niet is. Een trompe-l'œil effect, waarmee je een soort animisme kan oproepen in architectonische scenes. Dat wilde ik betrekken op de houtbouwconstructies in Amsterdam.
Op 7 maart opent de Warmoesbiennale. Kunstenaars tonen werk in 19 paviljoens in en om de Warmoestraat. Jouw werk is te zien bij het Leger des Heils op de Oudezijds Achterburgwal. Wat kunnen we daar verwachten?
Ik laat daar een aantal werken uit de serie Oever zien. Ze zijn groter en grilliger dan de werken die in de galerie te zien zijn.
Waarom besloot je mee te doen?
Ik kreeg een uitnodiging van Bonne Suits om mee te doen aan de Biënnale. Het past goed, omdat de Warmoestraat een van de oudste straten van Amsterdam is. Bij opgravingen zijn maar liefst 16 bouwlagen gevonden. Dat is niet gek als je bedenkt dat dit gebied ooit direct aan zee lag en de huizen dus in een moeras stonden; vandaar dat een andere straat Zeedijk heet.
Voor die bouwlagen en funderingen werd echt van alles gebruikt. Van oude funderingen tot gewelven uit scheepsbodems. In feite heb je op die plekken te maken met een huis in een huis. Of anders gezegd: een huis als drager van andere huizen. Het is een soort spook van architectuur. Een huis is niet een vaststaand gegeven, maar een assemblage van verschillende lagen en tijden met hout uit verschillende delen van Europa. Door het fineer te olieën kan je als schilder te werk gaan en die tijdslagen visualiseren.

De Warmoes Biennale is nog tot en met 3 mei in en om de Warmoesstraat in Amsterdam.