Magazine

Conceptuele Kunst uitgelegd door Kees van Gelder

Conceptuele Kunst uitgelegd door Kees van Gelder
Jaap Kroneman, Schilderij met vaas, 2015.

Kunst waarbij een idee of de mentaliteit belangrijker is dan de materie wordt ook wel conceptuele kunst genoemd. Wat daar precies mee bedoeld wordt legt Kees van Gelder uit in een gesprek met Manuela Klerkx.


Luister naar de Podcast Conceptuele kunst met Kees van Gelder


Kees van Gelder is oprichter en eigenaar van Galerie van Gelder aan de Planciusstraat in Amsterdam waar hij al sinds 1985 werk toont van bekende en minder bekende kunstenaars uit binnen- en buitenland. Wat Kees van Gelder belangrijk vindt in de kunst is niet zozeer de techniek of het medium dat een kunstenaar gebruikt en evenmin de vraag of iets mooi is of lelijk – ‘dat is tenslotte ook maar een mening’ – maar eerder de vraag waaróm een kunstenaar iets maakt en wat hij of zij daarmee bedoelt. Het gaat bij Kees eerder om het idee achter een kunstobject, zeg maar het onzichtbare in de kunst, dan om het zichtbare. Hij vindt dan ook dat hij geen kunst verkoopt maar een mentaliteit. 

De kern van de conceptuele kunst is dat het eindresultaat het direct gevolg is van het idee. Ik houd van de strenge, conceptuele kunst uit de jaren ‘60. Daarmee bedoel ik kunst met een kort lijntje tussen het idee – of het concept - en de uitvoering. Een kunstenaar als Stanley Brouwn bijvoorbeeld is een man die een plan had, een concept, waarmee hij de straat op ging en mensen aansprak met de vraag of zij hem de weg naar het Stedelijk Museum konden vertellen. Hij liet ze dat dan uittekenen met een potloodje op een velletje papier. Dat is een weinig smeuïge manier van kunst maken. Is het dan wel kunst, kun je je afvragen. In ieder geval wordt het wel gedaan ín de kunst. Brouwn gaf een antwoord op de vraag die toentertijd relevant was namelijk: hoe kunnen we de kunst veranderen? De context en de tijd daagden hem en veel van zijn tijdgenoten uit een andere weg in te slaan en te kijken waar andere kunstvormen toe zouden kunnen leiden. Brouwn’s actie is een goed voorbeeld van hoe je in de kunst nieuwe wegen kunt inslaan. Neem één van zijn tijdgenoten, Daniel Buren, die een paar groene en witte strepen op een bord met een stok eraan schilderde en daarmee de straat opging - en later deed hij dat ook in het museum als behang - met de boodschap dat kunst niet autonoom is omdat de perceptie afhangt van waar het wordt gezien of hoe het wordt beleefd: een kunstwerk buiten of in een museum, als behang of tegen een witte muur. Al naar gelang de context voel je het, ervaar je het anders. Deze vragen riepen toen allerlei vragen op zoals: wat is eigenlijk een museum? Wat is dat: een witte muur, de context?

‘Het mooie van kunst is dat het ruimte biedt om iets nieuws te doen. Er zijn maar heel weinig domeinen in de samenleving waar zoiets kan. Normaal wordt iets wat onbekend is meteen afgemaakt.’


Stanley Brouwn (rechts) liet verschillende passanten dezelfde route uittekenen voor zijn project 'this way brouwn'
Beeld: Igno Cuypers.

Inmiddels doen we heel serieus over conceptuele kunst maar oorspronkelijk – begin 20e eeuw - was het een protest, de context waarin het gedaan werd maakt het bijna revolutionair. De kijker werd als het ware rechtop gezet en gevraagd: wat zie je nu eigenlijk op die Parijse Salon des Refusés waar werk getoond werd van een nieuwe generatie kunstenaars (wier werk niet werd toegelaten op de officiële Salon MK). In die context werd er plotseling iets heel vreemds neergezet. Het mooie van kunst is dat het ruimte biedt om iets nieuws doen. Er zijn maar heel weinig domeinen in de samenleving waar zoiets kan. Normaal wordt iets wat onbekend is meteen afgemaakt. Kunst houdt een spiegel voor, het biedt nieuwe invalshoeken en perspectieven. Als je nieuwsgierig bent probeer je mee te gaan met de kunstenaars door je af te vragen: wat doet hij/zij dan? Wat wil hij/zij daarmee zeggen?

‘Kunst houdt een spiegel voor, het biedt nieuwe invalshoeken en perspectieven.’

Als ik probeer over te brengen wat ik voel bij een tentoonstelling in mijn galerie dan is dat een tamelijk natuurlijke stap voor mij, maar de ander moet wel bereid zijn om daarin mee te gaan, te luisteren of er zich voor open te stellen. Ik heb weleens een tentoonstelling gemaakt met werk van Kristján Gudmundsson die rechthoekige lijnen maakte op van die grote witte wanden met potloodvullingen van verschillende diktes, maar zó dun dat je ze niet ziet als je een witte ruimte binnenkomt. Maar ook omdat je verwacht dat er iets is wat je - zonder erbij na te denken – meteen kunt zien. Je neemt ze misschien wel waar maar ze zijn zó dun dat het niet bewust tot je doordringt dat er kunst is. Mensen zeggen dan: ‘Oh, er is geen tentoonstelling!’ En als je ze dan begeleidt naar zo’n muur en hen wijst op zo’n tekening dan is het ook een confrontatie met jezelf. Je vraagt je dan onherroepelijk af waarom je dat niet eerder had gezien. Als ik alleen de perceptieve kant van de kunst tot me door wil laten dringen probeer ik als truc een rem op mijn brein te zetten. Dat lijkt misschien onmogelijk omdat je brein automatisch iets wil interpreteren, maar je kunt jezelf trainen om het oordeel op te schorten en gewoon rond te lopen en te proberen de dingen feitelijk te bekijken.


Gudmundsson maakte rechthoekige lijnen op grote witte wanden met potloodvullingen van verschillende diktes,
maar zó dun dat je ze niet ziet als je een witte ruimte binnenkomt. Kristján Gudmundsson, 1993, Drawing 11 and 12 pencillead.

Hoe extreem conceptuele kunst ook is, het moet altijd een uitdrukkingsvorm krijgen om het te kunnen waarnemen. Om het vervolgens te willen hebben moet dat gematerialiseerde in de eerste plaats aantrekkelijk zijn, bijvoorbeeld die krabbel op een stuk papier moet er voor jou aantrekkelijk uitzien. Als dat niet zo is, dan laat je het voorbij gaan. Maar als het idee zó’n grote kracht heeft dat je eraan blijft denken als je het museum uitgaat en er de volgende dag nóg aan denkt, dan is dat misschien een reden om nog eens terug te gaan en te kijken of je iets van die kunstenaar kunt aanschaffen.

Als het idee zó’n grote kracht heeft dat je eraan blijft denken als je het museum uitgaat en je er de volgende dag nóg aan denkt, dan is dat misschien een reden om nog eens terug te gaan en te kijken of je iets van die kunstenaar kunt aanschaffen.


Realities, 2019, Franck Bragigand.

De strenge conceptuele kunst is op GalleryViewer niet gemakkelijk te vinden. Ook omdat die zich de laatste 10 à 15 jaar heeft ontwikkeld in een meer verbeeldende richting die aan dat pure concept wordt vastgeplakt. Dat maakt het picturaal aantrekkelijker maar ook wat smoezeliger. Ik houd van kunst die heel snel van het pure concept naar het resultaat gaat. En als dat dan een tik tegen mijn hoofd geeft, dan spreekt me dat veel meer aan dan wanneer het proces wat ingewikkelder in elkaar zit.

Ik houd van kunst die heel snel van het pure concept naar het resultaat gaat. En als dat dan een tik tegen mijn hoofd geeft, dan spreekt me dat veel meer aan dan wanneer het proces wat ingewikkelder in elkaar zit.

De meeste relevante vraag met betrekking tot conceptuele kunst is en blijft: waar zit de harde kern van het concept, waar zit het picturale eromheen en wat is de betekenis ervan?


Think Tank – The Communicator, 2017, Yvonne Dröge Wendel.

De favoriete conceptuele kunstenaars van Kees van Gelder die te zien zijn op GalleryViewer:

Yvonne Dröge Wendel (Lumen Travo)

Franck Bragigand (Lumen Travo)

Rumiko Harigawa (Althuis Hofland Gallery) en natuurlijk galeriekunstenaars als Olivier Mosset, Jaap Kroneman, Wjm Kok, Kimball Gunnar Holth (Galerie van Gelder)

In this article